De eerste zin van Montana van Smith Henderson, vertaald door Dirk-Jan Arensman

12 april 2017
| | | |

Onlangs verscheen Montana, de debuutroman van de Amerikaan Smith Henderson. We vroegen vertaler Dirk-Jan Arensman zijn werk toe te lichten.

The cop flicked his cigarette to the dirt-and-gravel road in front of the house, and touched back his hat over his hairline as the social worker drove up in a dusty Toyota Corolla.
De agent schoot zijn sigaret met zijn wijsvinger het zand-met-grindweggetje voor het huis op, en duwde zijn hoed over zijn haargrens toen de maatschappelijk werker in een stoffige Toyota Corolla aan kwam rijden.

Zie hier de kalm kabbelende openingzin van een magistrale roman. Een weinig opmerkelijk begin, al met al, waarover je ook wat de vertaling ervan betreft eigenlijk louter weinig opmerkelijke dingen kunt zeggen. (Dat je nog heel even hebt gepiekerd over dat woord ‘cop’, bijvoorbeeld. Of liever: dat het altijd lullige ‘smeris’ een nanoseconde door je hoofd spookte, voordat het gezonde verstand het daar weer uit joeg.)

Zonder iemands feestje te willen bederven (laat staan dat van deze rubriek): dit is nu precies waarom eerste zinnen nogal overschatte dingen zijn.

Want ze bestaan natuurlijk best, romans en verhalen met zo’n spectaculaire opmaat die je meteen rechtop in je stoel doet zitten, waarna uren ademloos lezen volgen. Maar minstens even vaak blijken na zo’n daverende openingsroffel de goede ideeën van een schrijver wel zo’n beetje op geweest; of bereidt, zoals in dit geval, een simpel aangeslagen akkoord je op geen enkele manier voor op de muzikale rijkdom die gaat volgen.

Geen gedroomde mensenredder     

‘Een boek dat klinkt als een lied van Tom Waits,’ staat er op het omslag van Montana, als wat versimpeld citaat uit de recensie van Fourth of July Creek, zoals de oorspronkelijk titel luidt, die schrijver Jeff VanderMeer in 2014 in The Guardian publiceerde. (VanderMeer had het strikt genomen en wat lyrischer over ‘a voice that crackles and lurches with the intensity of a Tom Waits song’.) En die vergelijking ís in veel opzichten behoorlijk treffend. Voor het soort down-and-out personages dat Henderson portretteert. De rauwe en directe toon waarop hij dat vaak doet. En, niet in de laatste plaats, de verrassende beelden en metaforen die onderweg voorbijkomen en regelmatig doen denken aan die raspende stem van Waits die zoiets schilderachtigs zingt als ‘the clouds are like headlines on a new frontpage sky’.

Verteller is die maatschappelijk werker, Pete Snow, die in zijn stoffige Toyota het boek in rijdt. Zijn standplaats is het provinciestadje Tenmile, in de bergen van Montana. En zijn bestaan, zowel professioneel als privé, is eerder een aaneenschakeling van treurige korte berichtjes die de krant zelden halen dan spetterend voorpaginanieuws. Met werkdagen waarin hij, pakweg, een tienerjongen bij zijn aan drugs verslaafde jammermoeder weghaalt, om hem tijdelijk onder te brengen in een pleeggezin of in een jeugdinrichting te stoppen. Om ’s avonds terug te keren naar een eenzaam hutje zonder elektriciteit of stromend water, omdat hij van zijn eigen gezinsleven ook een puinhoop maakte. Een stevig drankprobleem. Vervreemd geraakt van zijn vrouw, Beth, die hij verliet nadat ze overspel pleegde, met achterlating van zijn puberdochter Rachel; vervreemd van zijn dominante vader en kruimelcriminele broer… vervreemd van iedereen, eigenlijk.
Geen gedroomde mensenredder, zou je denken.

En toch moet hij dat in de kunstig met elkaar vervlochten verhaallijnen in deze roman op meerdere fronten zijn.

Kakafonie van ellende

De motor van Montana vormen zonder twijfel de verwikkelingen rond Benjamin, een half verwilderde jongen die op een dag Tenmile in komt dwalen, en de zoon blijkt van Benjamin Pearl, een radicaliserende kluizenaar wiens wereldbeeld bestaat een giftige cocktail van aan de Bijbel ontleende voorspellingen van het Einde der Tijden, onfrisse (complot)theorieën waarin vrijmetselaars en de Joden een sinistere hoofdrol vervullen en diepe minachting voor de wereldse autoriteiten. Een potentieel gevaarlijk gek, zou je ongenuanceerd kunnen zeggen. (Een typering waar de FBI, die op zeker moment jacht op het tweetal gaat maken, het ongetwijfeld roerend mee eens zou zijn, overigens.)

En terwijl Pete behoedzaam probeert het vertrouwen van de Pearls te winnen – om die jongen te behoeden voor verwaarlozing (of erger) én erachter te komen waar zijn moeder en zijn broers en zussen zijn gebleven –, spelen voortdurend de kwellende zorgen om zijn dochter door zijn hoofd. Rachel is namelijk van huis weggelopen, en hij is vastberaden haar tussen de bedrijven door op te sporen. En dan krijgt hij óók nog een relatie met Mary, een collega-hulpverleenster die gaandeweg zelf ernstig getroebleerd blijkt…

Het klinkt misschien als een verwarrende kakofonie van ellende, zo samengevat. Maar Henderson weet al die subplots meesterlijk in de hand te houden. In de Pearllijn wisselt hij pure thrillerscènes af met intieme momenten, waarin je geleidelijk aan zelfs begrip krijgt voor de drijfveren van die maniakale Jeremiah, die langzaam en briljant gedoseerd worden onthuld. De parallellen en contrasten tussen hun extreme verhaal en dat van Rachel, Mary en Pete zelf zijn subtiel maar pijnlijk indringend tegelijk. En ondertussen schetst Henderson niet alleen een scherp beeld van een historische periode – het Amerika van 1979, het begin van het Reagantijdperk – en een typisch Amerikaanse mentaliteit van anarchistische onafhankelijkheidsdrang en weerzin tegen de staat (je zou bijna zeggen: ‘de elite’) waarvan Pearl de grotesk uitvergrote belichaming is: ook het hier en nu wordt haast profetisch in zijn boek weerspiegelt.

Kort door de bocht: in een roman die drie jaar geleden verscheen rijzen de contouren van Trump-country uit elke pagina op.

Stortvloed aan kunstgrepen   

Dat Montana thematische en plottechnisch een complex en rijk boek is, zal hopelijk duidelijk zijn. Maar wat het voor een vertaler bovenal tot een feest en, zoals dat heet, een uitdaging maakte, is het duizelingwekkende scala aan registers dat Henderson erin bespeelt. De stortvloed aan stilistische en verteltechnische kunstgrepen die hij soms bijna ongemerkt hanteert.

Een paar voorbeelden?

Er zijn kleine dingen, zoals wisselingen van de verleden naar de tegenwoordige tijd, van de eerste persoon naar de tweede persoon enkelvoud, soms halverwege een alinea, om een scène directer in indringender te maken. (Niet per se ingewikkeld, wel iets om alert op te zijn.) Of de bloemrijke, lyrische landschapbeschrijvingen die ineens in het soepele, spreektalige proza opduiken, en ook in het Nederlands moesten opschitteren zónder gekunsteld te klinken.

Meer in het oog springend: het verhaal van Rachels omzwervingen langs de westkust van Amerika dat toneelmatig wordt verteld, in wat letterlijke verslagen lijken van gesprekken met een psychologe. Maar dan wel verslagen waarin zinnen plotseling interpunctieloos een complete alinea met de spreekster op de loop kunnen gaan, als associatieve prozagedichten die deinen op het ritme van een herinnering en doorspekt zijn met neologismen. Zoals, pakweg, het gebruik van ‘Wyoming’ als wérkwoord dat Rachel vroeg in de roman introduceert om een gemoedtoestand weer tegen geven en, zo zegt ze, ‘betekent dat je eindeloos door een lelijk struikenlandschap in de kleur van vuile dubbeltjes rijdt’.

Concreet praktisch puntje: ‘Wyoming’ is in het Engels met wat fantasie een kant-en-klare werkwoordsvorm, maar moest in het Nederlands ‘wyoomen’ worden. Wat, helaas, meteen de enige concrete ‘vertaalkwestie’ is die we hier kunnen aanstippen. Gewoon omdat dat zo gaat: je struikelt over een woord, een zin; je puzzelt een zo goed mogelijke oplossing bij elkaar, en daarna is het struikelen meteen weer vergeten.

Mixed tape

Voor een algemenere indruk van de worstelingen en het plezier: even terug naar Montana als ‘een boek dat klinkt als een lied van Tom Waits’. 

Eigenlijk is het namelijk eerder een boek dat klinkt als een fantastische mixed tape. Eentje waarop zowel Waits’ vroege, welluidende barkruksongs staan als staaltjes van het woeste, experimentele poppen-en-pannenkabaal van een album als Swordfish Trombones. Waarop je in de tirades van Jeremiah Pearl de met godvrezende doem overladen vagevuurrock van de band 16 Horsepower herkent en elders, in een fragmentarische prozaflard (‘Pearl is Snow is hijzelf is iedereen.’), de openingsregel van ‘I Am the Walrus’ van The Beatles lijkt door te klinken.

En de vertaler? Die is het coverbandje dat al die liedjes op zijn toetsenbord zó getrouw probeert na te spelen dat de lezer vergeet dat hij niet naar de originele versies zit te luisteren.

Dirk-Jan Arensman (1974) schrijft over (Angelsaksische) literatuur in Het Parool en de VPRO Gids. Eerder vertaalde hij werk van ondermeer John Fante, Dave Eggers, Paul Murray en, recentelijk, meester-journalist van The New Yorker Joseph Mitchell.

Delen op

€ 24,99
€ 11,99
MINDBOOKSATH : athenaeum