Leesfragment: Oranje in revolutie en oorlog. Een Europese geschiedenis, 1772-1890

13 januari 2018 , door Jeroen Koch
|

Aanstaande maandag verschijnt Oranje in revolutie en oorlog. Een Europese geschiedenis, 1772-1890 van Jeroen Koch, het vervolg op de koningsbiografieën van Willem I, II en III. Lees bij ons alvast een fragment.  

Drie vorsten uit het Huis Oranje-Nassau regeerden tussen 1813 en 1890 over het Koninkrijk der Nederlanden, maar hun koningschap was weinig vanzelfsprekend. Willem I (1772-1843) was bij geboorte voorbestemd om stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden te worden, als opvolger van zijn vader, erfstadhouder Willem V. De Oranjefamilie werd echter uit de Republiek verjaagd en zwierf bijna twee decennia door Europa, dat door de Franse Revolutie en de napoleontische oorlogen in chaos verkeerde.

In Oranje in revolutie en oorlog bekijkt historicus Jeroen Koch de geschiedenis van de Oranjevorsten vanaf de nadagen van de Republiek tot aan het begin van het moderne Nederland, en plaatst voor het eerst het wedervaren van de Oranjedynastie in een Europese context.

 

Dynastieke plichten

In Berlijn had Willem Frederik de leden van de Pruisische koninklijke familie nader leren kennen. Onder hen was zijn aanstaande vrouw, Wilhelmina van Pruisen, zijn volle nicht en de dochter van de koning van Pruisen, die, om haar van haar tante en schoonmoeder te onderscheiden, al vlug Mimi werd genoemd. Zijn moeder had de zestienjarige Willem Frederik en de veertienjarige Mimi in 1789 gekoppeld, politieke munt slaande uit haar nieuw verworven roem, in Berlijn, als vredesvorstin. Wilhelmina was zo zeker van haar zaak geweest, dat ze haar broer Friedrich Wilhelm II een dubbele verbintenis tussen het Huis Oranje-Nassau en het Huis Hohenzollern had voorgesteld: ze wilde haar dochter prinses Louise uithuwelijken aan de Pruisische kroonprins, de latere koning Friedrich Wilhelm III. Dit plan mislukte en Louise betaalde de prijs. Toen moeder en dochter op de terugreis naar Den Haag Brunswijk passeerden, koppelde Wilhelmina haar dochter aan de ziekelijke en achterlijke oudste zoon van de hertog onder wiens leiding de Pruisische troepen in 1787 een einde maakten aan de patriottenrevolutie. Louises echtgenoot was ‘klein, dik en blind, en verstoken van ieder talent’, aldus een chroniqueur van het laatachttiende-eeuwse Berlijnse hofleven. Tot verdriet van Louise zou het huwelijk kinderloos blijven.
Hoe anders trof Willem Frederik het. Hij was verrukt over Mimi, zijn aanstaande bruid die in de jaren die volgden uitgroeide tot een aanminnige en uitgesproken knappe verschijning. De erfprins raakte niet uitgekeken op haar portret. Direct bedelde hij bij zijn vader om toestemming voor het huwelijk. Willem V temperde het enthousiasme van zijn zoon. Voor beide voorgestelde echtverbintenissen was goedkeuring van de Staten-Generaal nodig en rond beide huwelijken bestonden politieke gevoeligheden: een Pruisische prinses en de zoon van de opperbevelhebber van het invasieleger van 1787, het was zout in de wonden van patriotten en staatsgezinden. Verwijtend hield Willem V zijn vrouw voor dat de band met Pruisen wel erg hecht werd. Moest hij straks het evenwicht herstellen door de andere zoon uit te huwen aan een dochter van de Britse koning George III? De stadhouder moest er niet aan denken: drie koninklijke hoogheden in de Republiek, zijn eigen vrouw, Mimi en een Britse prinses voor Frederik. Het zou gegarandeerd tweedracht in de familie zaaien.
Aan Willem Frederik liet de stadhouder weten beiden nog veel te jong te vinden. Mimi en hij moesten maar tot einde 1792 wachten, wanneer ze achttien en twintig zouden zijn. Misschien dat dan ook de politieke situatie in Europa tot rust zou zijn gekomen; het was een bedekte verwijzing naar de gebeurtenissen in Parijs, waar de Bastille was bestormd en waar men om een constitutie riep. Zonder veel omwegen antwoordde Willem Frederik zijn vader: ‘Waarom mij zo lang laten smachten, lieve Vader? U was veel jonger toen U trouwde. […] Bespoedig het moment van mijn huwelijk, want ik kan U in vertrouwen zeggen dat wij haast hebben.’De gebiedende toon was veelzeggend. Willem Frederik had weinig respect voor zijn vader. Toen hij tijdens zijn opleiding in Pruisen mee wilde doen aan legeroefeningen en Willem V bezwaar maakte omdat hij zijn opvolger niet aan de risico’s wenste bloot te stellen, had hij brutaal genoteerd: ‘Lieve Vader, is er een betere manier om de krijgskunst onder de knie te krijgen dan de praktijk? […] Bovendien: stel dat ik gedood word, of gewond raak, dan is er altijd nog mijn broer, die zeer wel mijn plaats kan innemen.’ De stadhouder was gezwicht.
Willem Frederik en Mimi trouwden op 1 oktober 1791 in Berlijn, toch nog een jaar eerder dan de stadhouder had voorgesteld. De nieuwe Brandenburger Tor was het imposante decor van hun huwelijk, of eigenlijk van het dubbele huwelijk dat in Berlijn werd voltrokken. Tegelijk met Willem Frederik en Mimi trouwden ook de hertog van York en prinses Frederika, de dochter uit het eerste huwelijk van de Pruisische koning. Het feest was mede bedoeld om het tegen Frankrijk gerichte bondgenootschap van Pruisen, Groot-Brittannië en de Republiek uit 1788 luister bij te zetten. Prinses Louise was toen al een jaar getrouwd en naar Brunswijk vertrokken. Hun broer Frederik bevond zich eveneens in Duitsland: sinds 1789 kreeg hij er zijn militaire opleiding. Contact onderhielden de leden van de stadhouderlijke familie nu door elkaar met grote regelmaat te schrijven. Een kolossale correspondentie was het resultaat. Al sprak de familie in huiselijke kring Nederlands, men schreef elkaar in het Frans, de voertaal van de Europese vorstenhuizen en de internationale diplomatie. Vanaf 1795, toen de toekomst van de Oranjes steeds onzekerder werd, waren het deze brieven die de dynastie bijeenhielden.
Wilhelmina had de kinderen de gewoonte elkaar te schrijven vroeg bijgebracht. Naar de opvattingen van de Verlichting moest het briefverkeer de onderlinge openheid bevorderen, maar tegelijk werd het een controlemiddel in de handen van Wilhelmina. Altijd moesten de kinderen vertellen wat ze gedaan hadden, wat ze deden en wat ze van plan waren te doen — tot ergernis van Willem Frederik. Bekend is Wilhelmina’s volgende uitspraak over haar oudste zoon: ‘We willen alles weten, en we willen nooit wat zeggen.’Het illustreert haar verlangen de controle te willen behouden, maar het vertelt ook iets over het gesloten karakter van de erfprins. Ook Van de Spiegel constateerde over hem: ‘Deszelfs karakter heb ik nooit kunnen doorgronden, hoezeer ik het op alle boegen gewend heb.’Welbeschouwd leken Wilhelmina en Willem Frederik op elkaar. Beiden wensten zo veel mogelijk controle over hun omgeving te hebben en bij beiden leek het gevoel ondergeschikt te zijn aan het verstand. Bij beiden ten slotte, streden eerzucht, ijver en geldingsdrang om de voorrang.
De brieven vertellen veel over de vijf gezinsleden. Louise had de tijd en nam de tijd — voor een verslag van de wederwaardigheden aan het Brunswijkse hof, voor commentaar op de politieke toestand in Europa en voor belangstellende vragen aan de aangeschrevene. Dit alles in een soepele en verzorgde hand, vergelijkbaar met het handschrift waarin haar moeder haar betogen opdiste, daarbij opvallend vaak verwijzend naar de Voorzienigheid. De veel kortere brieven van vader en zoons zagen er volstrekt anders uit. Willem Frederik en Frederik bedienden zich van een hoekig handschrift, leesbaar maar weinig elegant. Uitermate slordig waren de krabbels van de stadhouder. Alsof het hem allemaal niet interesseerde, kraste Willem V het papier vol.Veel in de correspondentie was etiquette. Evenals hun tijdgenoten vousvoyeerden de gezinsleden elkaar en talrijk waren de beleefdheidsfrasen waarmee de kinderen de brieven aan hun ouders lardeerden. Aan het slot van iedere brief waren zij de ‘nederige en geheel toegewijde Zoon’ of de ‘toegewijde en dienstvaardige Dochter’. De ouders tekenden met ‘Uw trouwe Moeder’ of ‘Uw zeer liefhebbende Vader’. Toch was de afstand tussen de gezinsleden gering in vergelijking met de distantie die van de buitenwereld werd verlangd. De onderdanige ondertekening die de huisleraren tegenover hun pupillen gebruikten, grensde aan zelfvernedering. Zoals aan alle Europese hoven gebruikelijk was, werden hier reële standsverschillen bevestigd en ingescherpt.
De toon van Willem Frederiks brieven varieerde naar gelang zijn verhouding tot de aangeschrevene. Tegenover zijn vader was de erfprins dikwijls hard en koud. Op het bedillerige geschrijf van zijn moeder — ‘let op Uw gezondheid’, ‘verzorg Uw gebit’, ‘doe wat aan Uw handschrift, spelling, stijl’ — reageerde de erfprins gehoorzaam of ontwijkend en een enkele keer met tegenspraak. Ontspannen klonk Willem Frederik alleen wanneer hij ‘Susje en Broertje’ schreef. Vooral tussen de erfprins en zijn zus heerste er een grote openhartigheid. Kleine en grote dingen vulden hun brieven, zoals roddels over het gezelschap waarin ze verkeerden, indrukken van de toneelstukken die ze hadden gezien en, vanaf de zomer van 1789, een groeiende bezorgdheid over het politieke nieuws uit Frankrijk. Met afkeer reageerden ze in juli 1790 op de herdenking van de bestorming van de Bastille.
Mimi bleek, haar goede voornemens ten spijt, geen echte briefschrijfster te zijn. Terwijl zij na het huwelijk in Den Haag haar intrek nam, was Willem Frederik veelvuldig in Breda. In augustus 1790, ter gelegenheid van zijn achttiende verjaardag, was hij benoemd tot gouverneur van de stad, militair opperbevelhebber; naar verluidt behandelde hij zijn manschappen met ‘extreme gestrengheid’.De zorg voor Mimi viel toe aan Wilhelmina. Zij zou haar schoondochter voorbereiden op haar toekomstige taken als vrouw van de stadhouder. Had zij zich niet, net als Mimi komend uit Berlijn, een generatie eerder leren aanpassen aan die vreemde verhoudingen die het gevolg waren van republikeinse gelijkheidsidealen? Aan Louise, die zich in Brunswijk ook moest voegen naar nieuwe gewoonten, schreef ze: ‘U hebt allerlei ressources, die zij mist.'
Gunstiger berichten klonken er een jaar later. Mimi was zwanger. Op 6 december 1792 beviel zij op paleis Noordeinde in Den Haag van een zoon, Willem Frederik George Lodewijk. De bevalling verliep voorspoedig, al was het, zo schreef een dolgelukkige Willem Frederik aan zijn zus, ‘eigenlijk een hoogst onaangenaam moment’. Ook Wilhelmina was tevreden, Mimi ‘had zich als een engel gedragen, hoewel ze veel pijn had’. Willem V viel zodra hij in de kraamkamer was geroepen bij het wiegje op zijn knieën. Hij was de eerste Oranjestadhouder die bij leven zijn kleinzoon kon aanschouwen.
Met achttien en twintig jaar hadden Mimi en Willem Frederik aan de belangrijkste dynastieke plicht voldaan. De toekomst van de stadhouderlijke familie was verzekerd — althans, er was nu ook een opvolger van de opvolger van de prins van Oranje. Verder leek algauw niets meer vast te staan. De tijden waren gevaarlijk, maar anders dan tijdens de patriottencrisis van de jaren 1780 kwamen de politieke gevaren dit keer van buiten de Republiek. Zelfs in de brieven die Wilhelmina vanuit Mimi’s kraamkamer aan Louise stuurde, werden de berichten over de pasgeborene afgewisseld met commentaar op het laatste nieuws uit het revolutionaire Frankrijk — de chicanes van de Nationale Conventie in Parijs, de sinistere bedoelingen van de bevelhebber van het noordelijke revolutieleger Charles-François Dumouriez en de kwade wil van de naar Frankrijk gevluchte oud-patriotten. Oostenrijk en Pruisen streden al sinds april 1792 tegen Frankrijk. Nu bereikte de grote revolutie ook de Republiek.

 

© 2018 Jeroen Koch

MINDBOOKSATH : athenaeum