Leesfragment: De idealisten

11 januari 2018 , door Louise O. Fresco
|

17 januari verschijnt De idealisten, de nieuwe roman van Louise O. Fresco. Lees bij ons alvast een fragment.

De idealisten vertelt het verhaal van dokter Benjamin Marcus en zijn jonge, gehandicapte patiënt Ndidi op een afgelegen missiepost, tegen de achtergrond van een overweldigende natuur, een mythische rivier en dreigende droogte.

Dr. Marcus, zelf kind van joodse vluchtelingen, ooit uit idealisme naar Afrika vertrokken, is in de loop der jaren steeds meer gaan twijfelen over het nut van zijn wetenschappelijke aanpak. Ndidi, gevangen tussen bijgeloof en nieuwsgierigheid, zint op een manier om te ontsnappen aan zijn lot. In het tijdbestek van slechts een dag en een nacht worden hun levens, en die van de andere dorpelingen, echter volkomen overhoopgegooid. Wordt het wankele menselijke evenwicht in één klap weggevaagd?

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Fresco's Hamburgers in het Paradijs en uit Verraad, verleiding en verzoening. De rol van eten in films, dat ze samen met Helen Westerik schreef. Tevens schreef ze bij het jubileum van de boekhandel over Athenaeum.

 

1

Wat was dit voor dag? Ndidi spitste zijn oren om de allereerste geluiden van de ochtendvogels op te vangen. Het nog aarzelende gepiep klonk als een kind dat voor het eerst zijn stem uitprobeerde. Een andere vogel viel in. Toen, vanaf de overkant van het pad, verborgen in het diepste gebladerte, bereikten hem twee kreten tegelijk, scherp tegen elkaar in. Wat waren dit voor vogels? Ze klonken als zwaluwen, maar schriller. Verderop boven de dunne strook bos langs de rivier hoorde hij er nog meer. Hij kende de namen van heel wat soorten, al wist hij niet hoe ze eruitzagen. Voor Ndidi waren de vogels zijn klok, zijn kompas, zijn gids, zijn waarzeggers. Vogels vertelden hem wat er was gebeurd en wat er zou gebeuren. Hij herkende ze aan hun roep, in ieder jaargetijde, jaar na jaar, maand na maand: de op de wind glijdende trekvogels die op een ochtend ineens neerstreken, in een dichte kwetterende massa op de velden. Daarna, zodra de regens begonnen, kwamen er weer andere vogels, die in tweetallen langs de paden naar wormen pikten. Haarscherp onderscheidde hij de roep van de nerveuze honingzuigers, de wevervogels, de wouwen, de zandhoenders en al die andere onbekende soorten, met ieder hun eigen strofes. En de duiven, altijd die veelheid aan duiven, om en op het erf gorgelend en koerend.
Heel soms, op rustige dagen, klom hij naar boven met hulp van zijn neefje Nyensa (die hij Pete moest noemen omdat hij naar Amerika wilde, en daar heetten ze allemaal Pete). Daar, op de rotsachtige richel boven het dorp, waar het plateau begon, zaten ze stil om te luisteren naar de oorgieren en de witruggieren, die als een windvlaag vlak boven hun hoofd ruisten voor zij zich over de rand van de vallei lieten glijden, op weg naar een karkas. Zeldzaam waren de andere grote roofvogels, de raven, de buizerds en de donkere haviken: als zij hun razendsnelle vluchten uitvoerden – sjoeshhhh sjoeshhh – zweeg de natuur.
Aan de verscheidenheid van vogels las hij de gunsten van het seizoen af. Dit jaar waren de kauwen in minder grote aantallen uit het noorden gekomen, en ze waren veel te laat. Vorig jaar daarentegen waren ze al vroeg vertrokken, misschien gebeurde dat dit jaar ook. De regens waren nu bijna voorbij, al waren de afgelopen dagen nog wat druppels gevallen, net genoeg om het stof op de paden te bevochtigen. Korter en korter werden de seizoenen deze jaren. Zo onvoorspelbaar was de regen geweest dat niemand er zeker van was wanneer er geplant kon worden. Iedere dag waren de vrouwen naar hun velden gegaan, en dan voelden ze de korrelige zanderige grond met hun droge, ruwe handen en schudden hun hoofd. Sommigen probeerden het toch, om na een paar weken te zien hoe geen enkel zaadje opkwam en de stekken verdroogden.
Uit het noorden zou de harmattan aanwakkeren tot hun mond en hun longen gevuld leken met zand. De wind blies de zandkorrels tot in de kookpotten, zodat ze knarsend hun avondpap moesten eten. Binnenkort zou de oogst worden binnengehaald, als de planten met hun taaiste, diepst vertakte wortels het allerlaatste vocht uit de bodem hadden geperst. Dit was de zwaarste maand, als de voorraadhutten leegstonden en het land nog niets nieuws had opgebracht. Wee degene die de verleiding niet weerstond om onrijp graan te eten. Nooit zou zijn land of dat van zijn kinderen nog iets opbrengen. Kolieken zouden zijn darmen samentrekken tot hij kreunend naar de rivier kroop om te sterven. Al knaagde de honger in alle magen, de straf van de voorvaderen was nooit mild.
De akkers, in vroegere jaren zo vochtig en mals, waren veranderd in een harde korst die in de loop van het droge seizoen zou barsten in een grillig patroon van scheuren, waarvan sommige breder waren dan zijn pols en dieper dan zijn arm. Nadat het vee alles had afgegraasd, bleven alleen de verbleekte korte stoppels over, totdat het zand uit het noorden ze bedekte. Als dan niets meer als voer kon dienen en de dieren begonnen aan het stro van de daken van de hutten, dwongen de herders het vee met stokslagen en hoge kreten – eeeh, eeeh – om aan de lange trek te beginnen naar de vloedvlaktes. Ieder jaar klaagden ze dat de graslanden daar minder hoog en dichtbegroeid waren dan in hun jeugd. Andere stammen uit het zuiden trokken naar dezelfde gronden. Hier en daar waren al schermutselingen ontstaan, twee mannen van een clan uit een naburig dorp waren gearresteerd voor het neersteken van een oude herder. De vloedvlakte zelf werd elk jaar kleiner, de overstromingen van de rivier reikten minder ver naar het westen en het oosten.
De zomers waren heter en duurden langer. Het stof van de savanne omfloerste de zon en drong telkens meer naar het zuiden waar de velden van Ndidi’s dorp lagen. Hij had de vele lege aren van de gierst en de sorghum op de akkers gevoeld en het losse zand dat oprukte onder zijn voeten. De vliesjes van de magere aren sprongen tussen zijn vingers kapot als hij ze aanraakte. Ook dit jaar zou hun land bijna niets opbrengen. Droogte en vogels en dieven waren de dorpelingen al lang voor geweest. Te vroeg waren de regens begonnen, te vroeg waren ze weer opgehouden. De kwetsbare ranken van de pas geplante bonen verdorden, de peulen waren bedekt met kleverige mijten. De cassave overleefde, maar de wortels waren mager en gerimpeld als de ledematen van oude vrouwen, de bladeren gekruld als geblakerd papier. Wie geluk had kon nog extra cassave planten op de vochtige plekken achter de afvalhopen bij de rivier. Daar waar de mannen hun yam verbouwden was het niet beter, de tere scheuten verbrandden onder de blikken van de zon. Ongeduldig wachtten de kinderen en vrouwen nu op de oogst. Dit was de maand die zo lang als een jaar leek te duren. De mannen morden over de karige maaltijden van hun vrouwen en zochten tevergeefs hun heil in de jacht. De droogte was de straf van de voorvaderen en trof allen, sommigen met weinig goed land. Er waren altijd mensen die nog meer straf dan anderen verdienden.

Van alle dagen, wat voor dag zou dit worden? Ndidi vroeg het zich opnieuw af. Het was niet een gewone dag van droogte en stof en honger, zoals alle andere. Er gistte iets in de lucht, alsof de goden koorts kregen. De vogels vlogen onrustig af en aan. Hoog boven zijn hoofd hoorde hij een vliegtuig, op weg naar het zuiden. In het dorp werden ze de glinsterende reigers genoemd, gemaakt door de blanken, die veel hoger vlogen dan vogels, opdat niemand kon zien waar ze hun prooi haalden. Hij dacht aan de Grote Stad, waar die zilveren vogels vandaan kwamen, waar mensen elke dag eten konden vinden, waar altijd een markt was, en auto’s rondjes reden met rijke mannen in strakke, gladde, gesteven broeken en tunieken. Naast hen zaten hun vrouwen met ingewikkelde gevlochten pruiken en bontgekleurde jurken en omslagdoeken. Hij wist hoe het was, hij had immers de verhalen gehoord van de zonen van het dorpshoofd en van zijn halfbroer Emeka.
Er was iets, dit was niet een dag als alle andere, hij hoorde het aan de geschrokken roep van de uil die niet zou moeten roepen op dit uur, en aan het gehuil van een baby ergens in het bos, die geen baby kon zijn maar een dier was, een hond of misschien een aap. Al die tekenen van onrust onderstreepten dat het droger en stoffiger was deze maanden dan iemand zich herinnerde.
Ndidi strekte zich uit. Het was eindelijk tijd om zijn bed te verlaten! De macht van de nacht was ten einde. De kreten van de dagvogels klonken nog voorzichtig, alsof ze hem wilden vertellen dat de dag zelf nog net niet was aangebroken en dat hij goed moest opletten. Hij had nu haast om op te staan. Hij hoorde een hoge fluitklank, drie keer achter elkaar, gevolgd door een pauze, dan weer, als een waarschuwing, een herhaling in een andere boom. Vervolgens dook het geluid van de vogels weg, alsof ze twijfelden, alsof ze net als het licht nog kiekeboe speelden aan de horizon. Een paar tellen later vielen de cicaden in. Dat stelde hem weer gerust. De vogels en de insecten riepen samen de zon. Zonder hen zou de dag niet aanbreken. Heel vroeger, had dokter Marcus hem een keer verteld, vreesden de eerste mensen elke avond dat de zon niet meer op zou komen, dat het voor eeuwig nacht zou blijven. Die mensen vereerden daarom de zon met offers en dansen. Zo stond Ndidi eindelijk op: de vogels floten en zongen hun lied voor hem, de insecten zoemden en tsjirpten en Ndidi neuriede mee.

[...]

 

© 2018 Louise O. Fresco

MINDBOOKSATH : athenaeum