Leesfragment: Wereldwijde ongelijkheid

04 april 2017 , door Branko Milanovic
| | |

5 april verschijnt Branko Milanovic' Wereldwijde ongelijkheid. Welvaart in de 21e eeuw (Global Inequality, vertaald door Jan Sietsma), 13 april treedt hij op bij het John Adams Institute / Pakhuis De Zwijger. Wij publiceren voor.

In de decennia na de val van de Berlijnse Muur vond de grootste herverdeling plaats van welvaart sinds de Industriële Revolutie. De absolute winnaars in de wereld zijn de superrijken, maar ook de middenklasse van de opkomende economieën in Azië. Allebei profiteerden ze van de groeiende mobiliteit van kapitaal, goederen en kennis – kortom de globalisering. De arbeiders- en middenklasse van de ontwikkelde landen bleven verweesd achter en voelden zich bedreigd door rijk én door arm, een belangrijke drijfveer achter de recente opmars van populistische partijen en politici. 

Branko Milanovic is een van de meest besproken economen van dit moment. Hij ziet de verklaring voor de huidige instabiliteit in enerzijds de groei van welvaartsongelijkheid op nationaal niveau en anderzijds de afname van deze ongelijkheid op wereldwijde schaal. Wereldwijde ongelijkheid is de must-read voor iedereen die wil begrijpen hoe we ervoor staan en waar we op afstevenen en welke koersveranderingen nodig zijn om het noodlot af te wenden.

 

Inleiding

Dit is een boek over mondiale ongelijkheid. Binnen het bestek van deze bladzijden sta ik vanuit mondiaal perspectief stil bij inkomensongelijkheid en bij politieke vraagstukken die aan ongelijkheid gerelateerd zijn. Omdat de wereld niet onder één enkele regering staat, is het onmogelijk om niet naar individuele natiestaten te kijken. Verre van zelfs, omdat veel mondiale vraagstukken zich politiek gezien afspelen op het niveau van de natiestaat. Een grotere openheid (commerciële uitwisseling tussen mensen uit verschillende landen) zal dus politieke gevolgen hebben, niet op een soort denkbeeldig wereldwijd niveau, maar in echte landen, waar echte mensen wonen die door handel getroffen worden. Als gevolg van de globalisering is het goed voorstelbaar dat Chinese arbeiders bij hun regering om vrije vakbondsrechten vragen, terwijl Amerikaanse arbeiders hun regering om beschermende rechten verzoeken.
Hoewel de economieën van individuele natiestaten belangrijk zijn, en vrijwel alle politieke handelingen op dit niveau plaatsvinden, neemt de globalisering alleen maar in kracht toe. Zij beïnvloedt niet alleen ons inkomen, onze arbeidsvooruitzichten en de hoeveelheid kennis en informatie waartoe wij beschikking hebben, maar ook de kosten van de goederen die wij dagelijks kopen en zelfs de beschikbaarheid van vers fruit hartje winter. Globalisering heeft bovendien nieuwe spelregels geïntroduceerd door de ontwikkeling van mondiaal bestuur en beleid, bijvoorbeeld door de Wereldhandelsorganisatie, de beperkingen op CO2-uitstoot en het optreden tegen internationale belastingontduiking.
Het is daarom tijd om inkomensongelijkheid niet langer uitsluitend als een nationaal verschijnsel te bekijken, zoals de afgelopen honderd jaar is gebeurd, maar als een mondiaal fenomeen. Eén reden om dat te doen, is simpelweg nieuwsgierigheid (een eigenschap waar Adam Smith prijs op stelde): een niet-aflatende belangstelling voor de manier waarop mensen in andere landen leven. Maar naast deze ‘gewone’ nieuwsgierigheid kan informatie over het leven en de inkomens van anderen ook praktische doeleinden dienen. Het kan ons helpen te beoordelen wat en waar we iets moeten kopen of verkopen, hoe we dingen beter en efficiënter kunnen doen, of om te bepalen in welk land we zouden willen wonen. We kunnen de kennis over andere landen ook gebruiken om opnieuw met onze baas over ons salaris te onderhandelen, om over sigarettenrook te klagen, of om de ober om een doggy bag te vragen (een gebruik dat in steeds meer landen wortelschiet).
Er is nog een reden om ons op mondiale ongelijkheid te richten: het is nu mogelijk. In de afgelopen tien jaar zijn namelijk voor het eerst in de wereldgeschiedenis de gegevens beschikbaar gekomen om de inkomensniveaus van alle mensen ter wereld vast te stellen en te vergelijken.
Maar de belangrijkste reden – en de lezer van dit boek zal dat naar ik aanneem onderschrijven – is dat een bestudering van de mondiale ongelijkheid in de laatste twee eeuwen, en in het bijzonder in de afgelopen vijfentwintig jaar, ons laat zien dat onze wereld, vaak op fundamentele wijze, veranderd is. Wijzigingen in mondiale ongelijkheid weerspiegelen de economische (en vaak politieke) opkomst, stilstand en neergang van landen, de veranderingen in inkomensniveaus binnen landen, en de transities van het ene sociale systeem of politieke regime naar het andere. De opkomst van West-Europa en Noord-Amerika na de Industriële Revolutie heeft zijn sporen nagelaten, door de mondiale ongelijkheid op te voeren. Recenter heeft de snelle groei van verschillende Aziatische landen een soortgelijke invloed gehad door de mondiale ongelijkheid terug te dringen. En ook nationale ongelijkheidsniveaus hebben wereldwijd implicaties gehad, of ze nu omhooggingen in het Engeland van de pre-industriële periode of in het China en de Verenigde Staten van de afgelopen decennia. Lezen over mondiale ongelijkheid is niets minder dan lezen over de economische geschiedenis van de wereld.
Dit boek begint, gebruikmakend van gegevens uit onderzoeken onder huishoudens, met een beschrijving en analyse van de belangrijkste veranderingen in inkomensverdelingen die zich mondiaal gezien sinds 1988 hebben voorgedaan. Het jaar 1988 is een gunstig beginpunt omdat het bijna samenvalt met de val van de Berlijnse Muur en van de reïntegratie van de toenmalige communistische economieën in het wereldwijde economische systeem. Een soortgelijke reïntegratie van China vond al enkele jaren voor die gebeurtenis plaats. De beschikbaarheid van onderzoeken onder huishoudens, die onze belangrijkste bron vormen voor inzicht in de mondiale ongelijkheid, kan niet los worden gezien van deze twee politieke veranderingen. Hoofdstuk 1 beschrijft in het bijzonder (1) de opkomst van wat we de ‘mondiale middenklasse’ kunnen noemen, waarvan het grootste gedeelte in China en andere landen uit ‘wederoplevend’ Azië woonachtig is, (2) de stilstand van groepen in de rijke wereld die mondiaal gezien welgesteld zijn, maar in hun eigen land tot de (lagere) middenklasse behoren en (3) de opkomst van een mondiale plutocratie. Deze drie opvallende verschijnselen uit de afgelopen vijfentwintig jaar stellen ons voor verschillende belangrijke en politieke vragen over de toekomst van onze democratie, die ik in hoofdstuk 4 zal bespreken. Maar voordat we aan de toekomst kunnen denken, moeten we teruggaan naar het verleden om te begrijpen welke lange evolutie de mondiale ongelijkheid heeft doorgemaakt.
Mondiale ongelijkheid, dat wil zeggen de inkomensongelijkheid onder wereldburgers, kan formeel gezien beschouwd worden als een optelsom van het totale aantal nationale ongelijkheden en het totaalaantal verschillen in het gemiddelde inkomen tussen landen onderling. De eerste component draait om de ongelijkheid tussen rijke en arme Amerikanen, tussen rijke en arme Mexicanen enzovoorts. De tweede component draait om de inkomenskloof tussen de Verenigde Staten en Mexico, tussen Spanje en Marokko en zo verder met alle andere landen ter wereld. In hoofdstuk 2 bespreken we ongelijkheden binnen een natie; in hoofdstuk 3 de ongelijkheden tussen landen.
In hoofdstuk 2 herformuleer ik aan de hand van historische gegevens over inkomensongelijkheid, waarbij ik soms zelfs terugga tot de middeleeuwen, de Kuznets-hypothese, het werkpaard van de economische theorie over ongelijkheid. Deze hypothese, in de jaren vijftig geformuleerd door Nobelprijswinnaar economie Simon Kuznets, stelt dat in landen waar industrialisatie plaatsvindt en de inkomens groeien, de ongelijkheid eerst zal toenemen en daarna zal dalen. Dat resulteert in een omgekeerde U-curve wanneer het ongelijkheidsniveau tegen het inkomen wordt afgezet. De Kuznets-hypothese schiet echter de laatste tijd tekort, zo luidt de overtuiging, omdat ze niet in staat is een nieuw verschijnsel in de Verenigde Staten en andere rijke landen te verklaren. De inkomensongelijkheid, die gedurende het merendeel van de twintigste eeuw dalende was, beleeft de laatste tijd een opleving, en dat is moeilijk te verzoenen met de oorspronkelijke definitie van de Kuznets-hypothese. De toename van ongelijkheid in de rijke wereld had eigenlijk niet mogen plaatsvinden.
Om deze recente ongelijkheidsopleving te verklaren, alsook vroegere verschuivingen in ongelijkheid, die teruggaan tot de periode van voor de Industriële Revolutie, introduceer ik het begrip Kuznets-golven (of Kuznets-cycli). Kuznets-golven kunnen niet alleen een bevredigende verklaring geven voor het meest recente spook van toenemende ongelijkheid, maar kunnen ook gebruikt worden om te voorspellen welke loop de ongelijkheid in rijke landen als de Verenigde Staten of in middeninkomenslanden als China en Brazilië zal nemen. Ik maak onderscheid tussen Kuznets-cycli voor zover zij van toepassing zijn op landen met een stilstaand inkomen (vóór de Industriële Revolutie) en voor zij van toepassing zijn op landen met een gestaag stijgend gemiddeld inkomen (de moderne tijd). Ik maak onderscheid tussen twee soorten krachten die ongelijkheid terugdringen: ‘kwaadaardige’ krachten (oorlogen, natuurrampen, epidemieën) en ‘goedaardige’ krachten (grotere toegankelijkheid van onderwijs, toename van sociale mobiliteit, progressieve belastingen). Hierbij benadruk ik de rol van oorlogen, die in sommige gevallen veroorzaakt worden door een grote binnenlandse ongelijkheid, ontoereikende totale vraag en de zoektocht naar nieuwe winstbronnen die de inname van andere landen vereisen. Oorlogen kunnen tot een afname in ongelijkheid leiden, maar ook, helaas en belangrijker nog, tot een afname in het gemiddelde inkomen.
Het onderwerp van hoofdstuk 3 is het verschil in het gemiddelde inkomen tussen landen. Daar ontdekken we dat tegenwoordig, voor de eerste keer sinds de Industriële Revolutie van twee eeuwen geleden, mondiale ongelijkheid niet door een groeiende kloof tussen landen wordt aangedreven. Het is namelijk zo dat de kloof tussen landen kleiner is geworden door de toename van het gemiddelde inkomen van Aziatische landen. Mocht deze trend van economische convergentie zich doorzetten, dan zal hij niet alleen leiden tot een krimping van mondiale ongelijkheid, maar zal hij ook, indirect, een relatief groter reliëf geven aan ongelijkheden binnen landen. Over een jaar of vijftig zouden we in dezelfde situatie kunnen verkeren als in de vroege negentiende eeuw, de tijd waarin het grootste gedeelte van mondiale ongelijkheid toe te schrijven was aan de inkomensverschillen tussen rijke en arme Britten, rijke en arme Russen en rijke en arme Chinezen, maar niet aan het feit dat het gemiddelde inkomen in het Westen hoger was dan in Azië. Een dergelijke wereld zou elke lezer van Karl Marx erg vertrouwd voorkomen, of eigenlijk elke lezer die bekend is met klassieke Europese literatuur uit de negentiende eeuw. Maar zover zijn we nog niet. Onze wereld is namelijk nog altijd een wereld waarin het enorm veel uitmaakt waar we geboren worden en wonen: het bepaalt misschien wel voor tweederde welk inkomen we in ons leven zullen genieten. Het voordeel dat mensen bezitten die in meer welvarende landen geboren worden, noem ik ‘staatsburgerschapsmeerwaarde’. Aan het slot van hoofdstuk 3 bespreek ik hiervan het belang, de politiek- filosofische implicaties en het directe gevolg: de druk om van het ene naar het andere land te emigreren in de zoektocht naar een hoger inkomen.
Nadat we deze afzonderlijke componenten van mondiale ongelijkheid hebben besproken, keren we terug naar een overzicht van het geheel in hoofdstuk 4, waarin ik zal uiteenzetten welke evolutie mondiale ongelijkheid in deze en de volgende eeuw waarschijnlijk zal doormaken. Hierbij zal ik afzien van het maken van zogenaamd exacte voorspellingen, omdat ze in werkelijkheid nogal verraderlijk zijn. Het is bekend dat in de meeste gevallen zelfs minder dan elementaire voorspellingen over het bbp per capita het papier waarop ze geschreven zijn niet waard zijn. Het is, denk ik, beter om de belangrijkste krachten te isoleren (inkomensconvergentie en Kuznetsgolven) die tegenwoordig het inkomen van naties en individuen aansturen, en om te bekijken waar deze in de toekomst toe kunnen leiden. Bij het maken van deze voorspellingen moeten we wel in het achterhoofd houden dat we ons vaak op speculatieve grond bevinden.
Tijdens het schrijven van het vierde hoofdstuk heb ik enkele populaire boeken uit de jaren zeventig en tachtig opengeslagen die de toekomst probeerden te voorspellen door de trends van die dagen naar de toekomst te extrapoleren. Het trof mij hoe tijdgebonden ze waren, alsof ze niet alleen vastzaten in hun eigen ruimte (de plaats of het land waar ze geschreven werden), maar meer nog in hun tijd.
Aan het einde van Op zoek naar de verloren tijd overdenkt Proust met verwondering dat oude mensen in hun persoon de heel verschillende tijdvakken die zij hebben doorleefd, lijken aan te raken. Of, zoals Nirad Chaudhuri schrijft in het tweede deel van zijn prachtige autobiografie Thy Hand, Great Anarch!, is het niet onmogelijk om in één mensenleven zowel het absolute hoogte- als dieptepunt van een beschaving mee te maken – zowel de Romeinse glorie ten tijde van Marcus Aurelius als het moment waarop grazende schapen het Forum in bezit namen. Misschien komt wijsheid inderdaad met de jaren, samen met het vermogen om verschillende tijden met elkaar te vergelijken zodat we de toekomst beter voor ons kunnen zien. Die wijsheid sprak voor mij niet uit de geschriften van de belangrijke auteurs van dertig à veertig jaar geleden. Ik kreeg juist de indruk dat bepaalde auteurs van honderd jaar of langer geleden een scherpere vooruitziende blik bezaten wat betreft de dilemma’s van onze tijd, meer althans dan de schrijvers die ons in de tijd nader staan.
Hoe komt dit? Omdat de wereld eind jaren tachtig dramatisch is veranderd door de opkomst van China (door niemand in de jaren zeventig voorzien) en door het einde van het communisme (evenmin door iemand voorgesteld)? En kunnen we uitsluiten dat in de komende decennia dergelijke onverwachte gebeurtenissen zullen plaatsvinden? Ik denk het niet. Niettemin hoop ik, al weet ik het verre van zeker, dat de wijsheid waarvan Proust en Chaudhuri spreken, en die met de jaren verkregen wordt, meer in overstemming is met de ervaring van de lezer die dit boek over dertig of veertig jaar in handen houdt.
Ik besluit hoofdstuk 4 met een bespreking van drie belangrijke politieke dilemma’s waarmee wij momenteel worden geconfronteerd: (1) Hoe zal China omgaan met de groeiende participatoire en democratische verwachtingen van de bevolking? (2) Wat zullen rijke landen doen wanneer groei onder hun middenklasse misschien wel decennialang zal uitblijven? (3) Zal de opkomst van de bovenste éénprocenters (zowel nationaal als mondiaal) leiden tot een politiek regime van plutocraten, of, in een poging om de ‘verliezers’ van de globalisering te behagen, tot populisme?
Het vijfde en laatste hoofdstuk bevat een overzicht van de belangrijkste inzichten uit dit boek, waarna ik voorstellen doe die naar mijn overtuiging van cruciaal belang zijn om de binnenlandse en mondiale ongelijkheden in deze en de volgende eeuw terug te dringen. Wat betreft ongelijkheden binnen een natie, bepleit ik een veel grotere nadruk op het gelijktrekken van bepaalde verworvenheden (eigendom van kapitaal en opleidingsniveau) dan op belasting van het huidige inkomen. Wat de mondiale ongelijkheid betreft, bepleit ik een snellere groei van armere landen (niet een heel controversieel standpunt) en minder belemmeringen om te migreren (iets controversiëler). Het hoofdstuk is verdeeld in tien bespiegelingen over globalisering en ongelijkheid, die in tegenstelling tot de rest van het boek, speculatiever zijn en meer gebaseerd zijn op mijn eigen overtuigingen dan op specifieke gegevens.
De structuur van het boek en de bijbehorende symmetrie worden waarschijnlijk duidelijker door de belangrijkste hoofdstukken schematisch weer te geven (afbeelding I.1).
Zoals de lezer kan zien (als zij een papieren exemplaar in handen heeft of in een elektronische kopie naar het totale aantal woorden kijkt), is dit een betrekkelijk kort boek. Het bevat redelijk wat grafieken, maar ik hoop dat ze goed te begrijpen zijn en de belangrijkste inzichten visueel aan de lezer overbrengen. Het is een boek dat naar mijn idee met hetzelfde gemak gelezen kan worden door specialisten zowel als leken, belezen dan wel ongeletterd (hoewel het te betwijfelen valt of iemand zich tot de laatste categorie zal rekenen).

Schema -wereldwijdeongelijkheid
Afbeelding I.1. Schematisch overzicht van Wereldwijde ongelijkheid

Ik ben de lezer uitleg verschuldigd over het gebruik van persoonlijke voornaamwoorden in dit boek. Ik wissel de meervoudsvorm ‘wij’ vrij vaak af met het enkelvoudige ‘ik’. In het algemeen gebruik ik ‘wij’ als het gebruikelijke schrijversmeervoud, telkens als ik ervan overtuigd ben dat ik een opvatting naar voren breng die gedeeld wordt door een aanzienlijk percentage economen, sociale wetenschappers, tijdschriftlezers of wie ook maar. Het spreekt vanzelf dat niet iedereen die ik onder een bepaald ‘wij’ schaar de desbetreffende opvatting zal delen. Ik ben mij ervan bewust dat ik opvattingen aan grote groepen mensen toeschrijf en dat die groepen zelf in elkaar overgaan. Maar ik probeer deze ‘wij’ te onderscheiden van de ‘ik’, die ik gebruik om te benadrukken dat bepaalde opvattingen, beslissingen, ideeën of begrippen de mijne zijn. Om een voorbeeld te geven: ‘wij’ (dat wil zeggen economen op het gebied van ongelijkheid) denken dat de Kuznets- hypothese in diskrediet is geraakt doordat ze niet in staat is gebleken om de recente opkomst van inkomensongelijkheid in rijke landen te voorzien, maar ‘ik’ heb getracht deze hier zodanig te herdefiniëren en herformuleren dat ‘wij’ in de toekomst onze opvatting over de bruikbaarheid van de hypothese kunnen bijstellen. Niettemin is er een lange weg te gaan alvorens deze ‘ik’ in een ‘wij’ verandert.
Ik geef de lezer nu de plicht – of het plezier – om de eerste stap te zetten op weg naar inzicht over mondiale ongelijkheid, en misschien, uiteindelijk, richting een mondiaal bestuur op een wereld die één zal zijn.

 

© 2016 President and Fellows of Harvard College
© 2017 Nederlandstalige uitgave: Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum bv, Houten

MINDBOOKSATH : athenaeum