Bestel uw boeken online bij Athenaeum Boekhandel!

Leesfragment: Machten der duisternis

19 mei 2017 , door Anthony Burgess
| |

Op 1 juni verschijnt eindelijk Anthony Burgess' klassieke roman Machten der duisternis, vertaald door Paul Syrier. Wij brengen het eerste hoofdstuk.

Machten der duisternis (Earthly Powers) wordt door critici algemeen Burgess' beste boek genoemd, verkozen boven het bekendere A Clockwork Orange. Wie begint te lezen wordt vanaf het begin meegezogen in een verhaal dat zo veelomvattend is en zo briljant geschreven, dat je als lezer meermaals naar adem hapt, tussen de lachbuien door.

Kenneth Toomey, de wereldberoemde, van zijn geloof gevallen homoseksuele schrijver, krijgt van de aartsbisschop van Malta het verzoek steun te verlenen bij de heiligverklaring van don Carlo Campanati, de latere paus Gregorius XVII. Campanati is een gehaaide manipulator die snel opklimt binnen het Vaticaan, Toomey slijt zijn laatste jaren in luxe als een gelauwerde, enigszins bittere beroemdheid met een twijfelachtige reputatie.

In dit meesterwerk over de essentie van macht komen alle grote namen uit het sociale, literaire en politieke leven van de twintigste eeuw voorbij, alsook alle grote gebeurtenissen: de Eerste Wereldoorlog, de opkomst van het fascisme in Italië, nazi-Duitsland en het postkolonialisme in Afrika.

N.B. Eerder publiceerden wij voor uit de nieuwe Nederlandse vertaling van A Clockwork Orange.

 

I

Het was de middag van mijn eenentachtigste verjaardag en ik lag in bed met mijn schandknaap toen Ali kwam zeggen dat de aartsbisschop er was om me te spreken.
‘Heel goed, Ali,’ riep ik beverig in het Spaans door de gesloten deur van de grote slaapkamer. ‘Breng hem naar de bar. Geef hem iets te drinken.’
Hay dos. Su capellán también.’
‘Heel goed, Ali. Geef zijn kapelaan ook iets te drinken.’
Ik heb me twaalf jaar geleden teruggetrokken als romanschrijver. Niettemin zult u moeten concluderen, als u mijn werk een beetje kent en even de moeite neemt die eerste zin te herlezen, dat er nog niets mankeert aan mijn gewiekstheid in het bedenken van wat men noemt ‘een pakkende openingszin’. In dit geval is er van gewiekstheid echter geen sprake. De feiten spelen de kunst soms in de kaart. Dat ik eenentachtig was kon ik nauwelijks nog betwijfelen: telegrammen met gelukwensen hadden me dat al de hele ochtend ingepeperd. Geoffrey, die zijn te strakke zomerbroek al aantrok, was, nam ik aan, zowel mijn Ganymedes ofwel minnaar als mijn secretaris. Het Spaanse woord arzobispo betekent wel degelijk aartsbisschop. Het tijdstip was even na vieren op een Maltese junidag – de drieëntwintigste om precies te zijn en om de werkelijk geïnteresseerden het openslaan van de Who’s Who te besparen.
Geoffrey zweette te veel en was hard op weg dik te worden (waarom zeggen we toch ‘hard op weg’? Geoffrey was nooit hard op weg). Het leven was, veronderstelde ik, te makkelijk voor een jongen van vijfendertig. Maar goed, het moment van onze scheiding kon, naar het zich liet aanzien, niet lang meer worden uitgesteld. Geoffrey zou bij de voorlezing van mijn testament niet aangenaam getroffen zijn. ‘Die ouwe slet, liefje, na alles wat ik voor hem gedaan heb.’ Nu, ik ging nog iets terugdoen, maar wel postuum, postuum.
Ik bleef nog even liggen, naakt, vlekkerig, vaalbleek, uitgemergeld, een sigaret rokend die postcoïtaal had moeten zijn maar het niet was. Geoffrey trok puffend zijn sandalen aan, waarbij zijn buik zich in drie rollen vet plooide, en daarna zijn gebloemde overhemd. Ten slotte verborg hij zich achter zijn zonnebril, zo een van het onbeschofte soort waarvan de bolle oppervlakken de wereld een duo metalen spiegels voorhouden. Ik kon mijn eenentachtig jaar oude gezicht en hals er heel duidelijk in zien: de bekende afgeleefde grimmigheid van iemand die het leven intens heeft ervaren, de ontvleesde pezen als kabels, de anatomie van de kaken, de Fribourg & Treyersigaret in zijn Dunhillpijpje, die mijn herkomst verried uit een tijd waarin roken een handeling was die men met elegantie verrichtte. Ik bezag het dubbelbeeld zonder rancune, terwijl Geoffrey zei: ‘Ik vraag me af wat Zijne Aartsbisschap in de zin heeft. Misschien komt hij een excommunicatiebul afleveren. In kakelbonte cadeauverpakking, natuurlijk.’
'Zestig jaar te laat,’ zei ik. Ik reikte Geoffrey de halfopgerookte sigaret aan om uit te drukken in een van de onyx asbakken en merkte op hoe ongaarne hij me zelfs die kleine dienst bewees. Ik stapte uit het bed, naakt, vlekkerig, vaal, uitgemergeld. Mijn zomerbroek zat, conform het fatsoensminimum, verre van strak. Het overhemd met begonia’s en orchideeën stond een man van mijn leeftijd belachelijk, maar ik had al lang geleden de angel uit Geoffreys rotopmerkingen getrokken met de woorden: ‘Lieve jongen, ik zal toch ééns moeten wennen aan het vooruitzicht van een laatste bloemenhulde.’ Deze zinsnede dateerde uit 1915. Ik had hem gehoord in Lamb House te Rye, maar hij was minder echt Henry James dan Henry James die de spot dreef met de echte Meredith. Hij had herinneringen opgehaald aan 1909 en het moment dat een of andere dame Meredith te veel bloemen had gestuurd. ‘Een laatste bloemenhulde, ha, ha, ha,’ had James gespot, schokschouderend van geveinsde vrolijkheid.
‘De gelukwensen van de tróúwe gelovigen, dan.’
Ik kon de overdreven stembuiging waarmee Geoffrey dit woord uitsprak geenszins waarderen. Het ademde seks en zijn eigen infame trouweloosheden; het was een woord dat ik ooit in tranen tegen hem had gebezigd; het was voor mij geladen met een ouderwetse morele ernst die voor Geoffreys generatie niet meer dan een nichtengrap was.
‘De tróúwe gelovigen,’ zei ik even nadrukkelijk terug, ‘worden niet geacht mijn boeken te lezen. Zeker niet hier, op het heilige eiland van de Heilige Paulus. Hier ben ik immoreel en anarchistisch en agnostisch en rationalistisch. Ik denk dat ik wel kan raden wat de aartsbisschop wil. En hij wil dat juist omdat ik zo ben.’
‘Wat een slimme ouwe vos ben je toch hè?’ Zijn spiegels weerkaatsten het gouden steen van de Triq Il-Kbira, wat Straat de Grote ofwel Hoofdstraat betekent, buiten de openslaande vensters.
Ik zei: ‘Er ligt nogal wat verwaarloosde post beneden in wat jij je kantoor noemt. Uit afschuw van je slonzigheid heb ik zelf maar een paar brieven opengemaakt, vers uit handen van de postbode. Op een ervan zat een postzegel van het Vaticaan.’
‘Ach, krijg de klere,’ glimlachte Geoffrey, of leek te glimlachen: ik kon zijn ogen natuurlijk niet zien. Toen dreef hij de spot met mijn lichte slissen: ‘Uit affchuw tegen je flonfigheid.’ Toen zei hij opnieuw: ‘krijg de klere’, mokkend ditmaal.
‘Ik denk,’ zei ik, en ik hoorde vol weerzin de seniele, droge trilstem, ‘dat ik voortaan beter alleen kan slapen. Dat zou op mijn leeftijd gepást zijn.’
‘Zien we eindelijk de waarheid onder ogen, schat?’
‘Waarom,’ ik stond beverig voor de grote blauwe wandspiegel terwijl ik mijn schaarse haren naar achteren borstelde, ‘klinkt alles uit jouw mond zo laag en smerig? Warmte. Troost. Liefde. Zijn dat smerige woorden? Liefde, liefde. Is dat smerig?’
‘De gevoelens van het hárt,’ zei Geoffrey, die weer leek te glimlachen. ‘We moeten die sleetse pomp een beetje ontzien, hè? Heel goed. We slapen beiden in ons eigen aparte bed. En als je het ’s nachts uitschreeuwt, wie hoort je dan?’
Wer, wenn ich schrie... Wie had dat gezegd of geschreven? Ach natuurlijk, de arme grote Rilke, God hebbe. Hij had in mijn bijzijn zitten huilen in een louche bierhuis in Triëst, niet ver van het Aquarium. De tranen hadden vooral uit zijn neus gestroomd, en hij had zijn neus aan zijn mouw afgeveegd. ‘Je hebt anders altijd diep genoeg geslapen aan mijn zwoegende zijde,’ zei ik. ‘Zo diep dat je zelfs het scherpe porren van mijn vinger niet voelde.’ En daarop, vol schaamte bevend: ‘Trouw, trouw.’ Ik stond op het punt weer te gaan huilen, het woord was zo geladen. Ik herinnerde me de arme Winston Churchill, die, ongeveer op mijn huidige leeftijd, begon te huilen bij het horen van woorden als ‘grootheid’. Het werd emotionele labiliteit genoemd, een seniele aandoening.
Geoffrey trok zijn mond nu niet in een glimlach, en evenmin liet hij meewarig zijn kaak hangen. Het onderste deel van zijn gezicht vertoonde een soort mededogen, het bovenste mij, in tweevoud en gebroken. Arme ouwe zak, zou hij bij zichzelf zeggen en, misschien later, tegen een of andere vriend of kontkruiper in de bar van het Corinthia Palace Hotel: arme seniele afgeleefde eenzame oude impotente lul. Tegen mij, op vriendelijk-energieke toon: ‘Kom, schatje. Zit je gulp netjes dicht? Mooi zo.’
‘Het zou toch niet te zien zijn. Onder al die bloemen.’
‘Prachtig. Dan mag je nu het masker van gedistingeerd immoreel schrijver opzetten. Zijne Aartsbisschap wacht.’ En hij opende de zware deur die rechtstreeks uitkwam op de doorluchtige bovenzaal. Op mijn leeftijd kon ik, kan ik, nog iedere barrage van licht en hitte aan, en deze beide kenmerken van het zuiden denderden naar binnen, als een finale van Rossini in stereo, door de wijd openstaande vensters. Rechts zag ik de daken van de huizen en het felgekleurde wasgoed van Lija, een passerende bus, ruziënde kinderen; links, achter het kristalglas, de beeldenrij en het boventerras, stegen het gesis en pompgezoem van de irrigatie van mijn sinaasappel. en citroenbomen op. Met andere woorden: ik hoorde het leven verdergaan en dat troostte me.We liepen over koel marmer, zwaar wit berenbont, marmer, bont, marmer. Daar verderop stond het William Fosterklavecimbel, dat ik had gekocht voor mijn vroegere vriend en secretaris Ralph, trouweloos, een stel middensnaren op een nacht in dronken razernij door Geoffrey vernield. Aan de muren hingen schilderijen van mijn grote tijdgenoten – nu ontzaglijk kostbaar, maar allemaal goedkoop verworven toen ik, zij het nog jong, zegevierend uit de strijd was gekomen. Er stonden vitrines waarin jade, ivoor, glas, metalen bibelots of objets d’art pronkten. Subtiel, hoe de Franse termen daar de trivialiteit van erkenden en tegelijkertijd uitwisten. De tastbare vruchten van het succes. Het echte gevecht, de worsteling met vorm en expressie, nog onbeslist.
O, mijn God... Het échte gevecht? Ik dacht als een schrijver, niet als een menselijk, zij het seniel, wezen. Alsof het temmen van de taal ertoe deed. Alsof er, in laatste instantie, iets belangrijker was dan clichés. Trouw. Je bent niet trouw geweest. Je bent verzeild, of vervallen, in ontrouw. Het is mijn overtuiging dat een mens trouw moet zijn aan zijn overtuigingen. O, komt, al gij getrouwen. Dat lied kon met Kerst nog altijd nostalgische tranen oproepen. De reproductie van dat anekdotische gedrocht in de spreekkamer van mijn vader – nee, met welk recht noemde ik het een gedrocht? – die soldaat met zijn opengesperde ogen, op zijn post terwijl Pompeï ten onder ging. Trouw tot in de dood. De gelukwensen van mijn tróúwe vrienden, dan. De wereld van de homoseksueel kent een complexe taal, bros maar soms toch kwellend precies, gekneed uit de clichés van die andere wereld. Dus dit, cher maître, zijn de tastbare vruchten van uw succes.
Geoffrey voegde zijn pas met een huppeltje naar de mijne, overdreven, als om, schat, zijn rol als hofmaarschalk te benadrukken. Zij aan zij, tree voor tree, komisch in gelid, daalden we de eerste marmeren trap af. We kwamen uit op een ruime overloop met een zestiende-eeuwse kast vol verfijnd glaswerk – om te gebruiken, schat, om echt uit te drinken, hoor – en een achttiende-eeuws schaaktafeltje waarop permanent stukken van Mexicaans obsidiaan stonden opgesteld (alleen voor het mooi, schat, zijn tijd van spélen is voorbij), sloegen toen rechtsaf om de laatste marmeren waterval te nemen. Ik keek naar de vergulde Maltese klok aan de muur van het trappenhuis. Hij wees even voor drieën.
‘Er is nog niemand geweest om hem te repareren,’ zei ik, en hoorde mezelf temen. ‘Dat is nu al drie dagen. Niet dat het er echt toe doet, overigens.’
We hadden nog drie treden te gaan. Geoffrey tikte op de klok alsof het een barometer was en haalde er toen gemeen naar uit als voor een stomp.
Hij zei: ‘Rotoord. Ik heb een pesthekel aan dit rotoord.’
‘Een kwestie van wennen, Geoffrey.’
‘We hadden ergens anders heen kunnen gaan. Er zijn ook andere eilanden als je per se naar een eiland moet.’
‘Later,’ zei ik. ‘We hebben bezoek.’
‘We hadden toch verdomme in Tanger kunnen blijven. We hadden die klootzakken wel klein gekregen.’
‘We? Jij zat in de problemen, Geoffrey, niet ik.’
‘Je had verdomme best iets kunnen doen. Tróúw. Gebruik dat klotewoord tróúw niet tegen mij.’
‘Ik héb ook iets gedaan. Ik heb je uit Tanger weggehaald.’
‘Maar waarom naar dit verdomde rotoord? Die klotepriesters en die smerissen – twee rothanden op een rotbuik.’
‘Er zitten twee “klotepriesters” op ons te wachten. Matig je toon.’
‘Jij mag hier dan dood willen gaan, ik verdomme niet.’
‘Een mens moet ergens doodgaan, Geoffrey. Malta lijkt me een redelijk compromis.’
‘Waarom kun je verdomme niet in Londen doodgaan?’
‘Belasting, Geoffrey. Successierechten. Klimaat.’
‘Naar de hel met dit godverdomde stinkende kutoord.’,br> Ik daalde angstvallig de drie resterende treden naar de hal af en hij kwam achter me aan, nu alleen nog binnensmonds verwensend en vervloekend. Drie stappen van me vandaan, op een zilveren schaaltje, onder de koestering van een Chinese kom vol seizoensbloemen, lag een vers stapeltje gelukwensen, bezorgd door motorrijders van de Telegraafdienst. De bar bevond zich aan de andere kant van de hal, rechts, tussen het rommelhok waar Geoffrey zijn werk als secretaris veronachtzaamde en mijn eigen ijselijk keurige werkkamer. Aan de muur tussen de bar en de werkkamer hing de Georges Rouault – een lelijk gebroddeld danseresje, ongeduldige dikke zwarte strepen en gemelijke vegen. In Parijs had Maynard Keynes me destijds vol vuur aangeraden het te kopen. Hij had alles van markten geweten.

© Copyright 1980 International Anthony Burgess Foundation
© Copyright 2017 vertaling: Paul Syrier en Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam

MINDBOOKSATH : athenaeum