Leesfragment: Fabrieken van kennis, Industrieën van creativiteit

01 april 2017 , door Gerald Raunig
|

Op 7 april verschijnt Fabrieken van kennis, Industrieën van creativiteit van Gerald Raunig. Lees bij ons alvast het begin van het tweede hoofdstuk.

In Fabrieken van kennis verkent Gerald Raunig de toekomst van de universiteit binnen de kenniseconomie. Voor Raunig moet en kan de universiteit meer zijn dan een instelling voor kennisproductie ten behoeve van het cognitief kapitalisme; ze is ook een ruimte voor sociale strijd en verzet, net zoals de klassieke fabriek dat was. In Industrieën van creativiteit, het tweede deel van dit boek, onderzoekt Gerald Raunig de transformatie van creatieve praktijken, die eerst werden ingelijfd door de cultuurindustrie en vervolgens dienstbaar gemaakt aan de creatieve industrie. Raunig laat zien hoe cognitieve en creatieve praktijken zich kunnen onttrekken aan de tijd- en productieregimes van de economie. In beide delen van dit boek is Kafka's verhaal over Josefine en het muizenvolk een speels en inspirerend refrein.

 

2 De universiteitsfabriek als plaats van reterritorialisering

Ooit was de fabriek een plaats van verdichting bij uitstek. Niet alleen van verdichting van productietijd en -ruimte, maar ook van verdichting van verzet. Uitgerekend op de plaats waar arbeiders collectief werden uitgebuit, troffen ze eveneens de condities voor discussie, verzameling en de ontwikkeling van vormen van protest. Vandaag de dag ontwikkelt zich in en rondom de fabriek van kennis – op zowel de universiteiten als de plaatsen van diffuse kennisproductie – een modus van radicaal gespreide productie en worden bezetting, staking, ruimtelijke en sociale verdichting mysterieuze of raadselachtige zaken, als ze al niet voor volstrekt onmogelijk worden gehouden.
Fabrieken van kennis: modieuze metafoor voor de zelfproletarisering van intellectuelen, foutieve interpretatie van vluchtige kanttekeningen van Marx, theoretische noodgreep ter omschrijving van de situatie waarin precaire kennisarbeid zich bevindt? Zonder enige twijfel is general intellect de afgelopen decennia steeds sterker in de greep van kapitalistische valorisatie gekomen. Kenniseconomie, kennistijdperk, op kennis gebaseerd bedrijfsleven, kennismanagement, cognitief kapitalisme – deze omschrijvingen van de huidige maatschappelijke situatie spreken duidelijke taal. Kennis wordt een waar die als materiële waar vervaardigd, gefabriceerd en verhandeld wordt. Immateriële stromen van knowhow en het geldwezen, coöperatie en coördinatie, en collectieve vormen van intellect lijken zich in bepaalde delen van de wereld te bundelen in een tendens tot transformatie van productiewijzen. Men zou die tendens ‘cognitivering’ kunnen noemen, wat overigens niet gepaard hoeft te gaan met verbetering van arbeidsverhoudingen of een hoger aanzien van cognitieve arbeid.
De generaliserende diagnose van kentering die doorklinkt in opvattingen over cognitief kapitalisme en immateriële arbeid, kent echter goede tegenargumenten die tot voorzichtigheid manen. In de eerste plaats zijn de ‘nieuwe’ vormen van affectieve, cognitieve en communicatieve arbeid in wezen niet nieuw. Anti-imperialistische en feministische bewegingen wijzen al heel lang op een door geslacht en ras bepaalde arbeidsdeling die alles wat niet voldoet aan een bepaalde vorm van materialiteit en productie – ook wanneer het flink bijdraagt aan de toegevoegde waarde – verbant naar de grijze zones van hetgeen we niet willen waarnemen. Ten tweede werkt in Europa bijna een kwart van de arbeiders nog altijd in de industriële sector. En ten slotte is het aanzienlijke restant aan smerig werk niet gewoon verdwenen, maar simpelweg uit het blikveld van de neokoloniale ‘industriestaten’ geraakt, die nu postindustrieel zijn geworden: in Europa werden de afgelopen decennia hele fabriekscomplexen afgebroken en schroef voor schroef, steen voor steen ‘gedeconstrueerd’ om soms wel tienduizend kilometer verder naar het oosten weer opgebouwd te worden. Hele sectoren verleggen hun productielocaties naar telkens nieuwe gebieden waar productiekosten radicaal verlaagd kunnen worden. Hele industrieën zijn mondiaal gaan werken of hebben zich in andere geopolitieke contexten gevestigd; er is sprake van een nieuwe internationale arbeidsdeling.
Die arbeidsdeling is geenszins louter als vorm van vooruitgang te zien, waarbij machines ons steeds meer zwaar werk uit handen nemen en slavernij en uitbuiting geleidelijk worden afgeschaft; integendeel, parallel aan de hoge vlucht van het cognitieve groeien analfabetisme, kinderarbeid en arbeid onder slavernijachtige condities in fabrieken, sweatshops en callcenters. Niet langs simpele lijnen waarbij postfordisme bij de ‘eerste wereld’ hoort en fordisme of voorkapitalistische uitbuitingsmodellen bij de ‘derde wereld’ – in de mondiale metropolen liggen centrum en periferie op dezelfde plaats.
Een soortgelijke terughoudendheid is zinvol bij de overhaaste universalisering van het concept fabbrica diffusa. Dit begrip is in de jaren 1970 in Italië ontstaan binnen het milieu van de autonomia-beweging en de theoriepraktijk van het operaismo. Het beschrijft het ambivalente proces dat volgde op de exodus van arbeiders uit de fabriek: een beweging van verspreiding, diversifiëring en in elkaar overgaan van productieplaatsen en productiesystemen, die destijds in Italië voor het eerst duidelijk zichtbaar was en daardoor onderwerp van discussie. Niet alleen de fordistische fabrieksarbeider werd een operaio sociale, een arbeidskracht die opgaat in de maatschappij, ook de fabriek zelf vloeide als het ware over haar grenzen heen.
De uit verzet en strijd voortkomende fabbrica diffusa kreeg vorm in een actieve vlucht uit de fabriek; soms een vlucht in andere wijzen van werken en leven, soms een vlucht van welk werk dan ook, in niet-werken. Deze exodus wordt in de operaïstische visie niet begrepen als het resultaat, maar als de oorzaak van de verreikende kapitalistische transformaties in de laatste decennia van de twintigste eeuw. Vanuit het perspectief van de organisatie van de industriële sector betrof deze verspreiding niet zozeer een verplaatsing in de hierboven vermelde zin van internationale arbeidsdeling, maar eerder een regionale verplaatsing binnen Noord-Italië: er ontstonden vele kleine productie-eenheden die als toeleverancier van fabrieken of als autonome onderneming functioneerden. Deze ‘diffuse fabriek’ heeft ongetwijfeld nog meer aan betekenis gewonnen nu technologische innovaties leiden tot een extreme verspreiding van productiemiddelen, nu overal sprake is van zelfstandig onder(aan)nemerschap, van metropolen als plaats van productie, van de ‘stad als fabriek’. Hoewel de over haar grenzen heen vloeiende, buiten haar oevers tredende fabriek een pakkende omschrijving van een belangrijke maatschappelijke tendens is, gaat het hier in zekere zin om een tegengestelde beweging: een scherpere definitie van het begrip fabriek, van haar wezenlijke kwaliteit die juist uit aspecten als verdichting, verzameling en reterritorialisering bestaat. Die focus dringt zich op, niet vanwege de huidige productiewijzen maar vanwege het verzet, de sociale strijd en de politieke organisatie die naast hun deterritorialiserende vormen van vlucht, exodus en verspreiding ook om handelwijzen van reterritorialisering vragen: nieuwe ritornellen van staking, bezetting, zelfbestuur. De vraag is dus niet zozeer, wat gebeurt er wanneer de fabriek doordringt in de vezels van de maatschappij, maar welke posities van sociale en economische structuren maken het mogelijk een fabriek-worden, een raken, een in bezit nemen en weer toe-eigenen van het territorium waar te nemen.

MINDBOOKSATH : athenaeum