Leesfragment: De sympathisant

15 mei 2017 , door Viet Thanh Nguyen
|

Deze week verscheen het met de Pulitzer Prize bekroonde romandebuut van Viet Thanh Nguyen, De sympathisant, vertaald door Paul Bruijn en Jetty Huisman. Wij brengen een fragment.

Het is april 1975 en in Saigon heerst chaos. In zijn villa zit een generaal van het Zuid Vietnamese leger whiskey te drinken en hij is samen zijn getrouwe kapitein een lijst aan het opstellen van mensen die een plaats krijgen op een van de laatste vluchten het land uit. De generaal en zijn landgenoten gaan een nieuw leven beginnen in Los Angeles. Ze zijn zich er niet van bewust dat een van hen, de kapitein, in het geheim de groep observeert en verslag uitbrengt aan een meerdere in de Vietcong.

De sympathisant is het verhaal van deze kapitein, een man grootgebracht door een afwezige Franse vader en een arme Vietnamese moeder, een man die in Amerika ging studeren aan de universiteit, maar terugkeerde naar Vietnam om te vechten voor de communistische zaak. Viet Thanh Nguyens verbazingwekkende roman biedt een kijkje in de ziel van deze dubbelagent, een man wiens hooggestemde idealen vereisen dat hij de mensen die hem het meest nabij zijn moet verraden.

'Intelligent, waanzinnig grappig en verteld met een meedogenloos tempo' - New York Times

Winnaar van: Pulitzerprize, Edgar Allan Poe Award, Andrew Carnegie Medal, Dayton Literary Peace Prize, Center for Fiction first novel prize, California Book Award, Asian/Pacific American Literature Award

Viet Thanh Nguyen is geboren in Vietnam en opgegroeid in de Verenigde Staten. Verhalen van zijn hand zijn verschenen in Best American Voices, TriQuarterly, Narrative en de Chicago Tribune. Ook is hij de auteur van het academische boek Race and Résistance. Hij doceert Engelse en Amerikaanse Studies aan de Universiteit van Zuid-Californië en woont in Los Angeles.

De sympathisant is zijn, alom geprezen, debuut. In De sympathisant vertelt Nguyen het verhaal van een man met twee zielen, iemand wiens politieke overtuigingen botsen met zijn individuele loyaliteiten. In dialoog met, maar diametraal tegenovergesteld aan de verhalen over de Vietnamese oorlog die eerder zijn verschenen, biedt deze roman een belangrijk en onbekend nieuw perspectief op de oorlog: die van een communistische sympathisant in gewetensnood.

 

9

Tot mijn grote verrassing belde Violet me de volgende week op. ‘Ik geloof niet dat we nog iets te bespreken hebben’, zei ik. ‘Hij heeft nog eens over uw advies nagedacht’, zei ze. Het viel me op dat ze dit keer in complete zinnen sprak. ‘Hij is een gepassioneerd man en kan niet zo goed tegen kritiek, maar hij is de eerste om dat toe te geven. Maar toen hij was afgekoeld, vond hij dat er toch wel een paar bruikbare ideeën tussen uw opmerkingen zaten. Bovendien heeft hij er respect voor dat u tegen hem in bent gegaan. Niet veel mensen zijn daartoe bereid, wat u een ideale kandidaat maakt voor wat ik u voorstel. We hebben een adviseur nodig die alles kan laten kloppen waar het om specifiek Vietnamese zaken gaat. We hebben de geschiedenis al bestudeerd, de kostuums, de wapens, de gewoonten, alles wat we in boeken konden vinden. Maar we zullen ook de menselijke toets nodig hebben die u eraan toe kunt voegen. Er zitten vluchtelingen uit Vietnam in de Filipijnen die we zullen gebruiken als figurant, en we zoeken iemand die met ze gaat werken.’
Van verre zweefde het gefluister van mijn moeders stem: ‘Denk eraan, je bent niet de helft van iets, je bent het dubbele van alles!’ Ondanks alle nadelen van mijn armzalige, verwarrende erfenis zorgden mijn moeders voortdurende bemoediging en haar vurige geloof in mij ervoor dat ik nooit terugdeinsde voor een uitdaging of een kans. Hun aanbod was een betaalde vakantie van vier maanden in een tropisch paradijs, zes maanden als de opnames uitliepen, en misschien was het ook niet echt een paradijs als de plaatselijke opstandelingen een beetje te veel zelfvertrouwen kregen, en misschien ook wel geen echte vakantie maar een werkvakantie, en misschien wel niet zozeer betaald, als wel onderbetaald, maar de essentie was dat ik toe was aan een onderbreking van mijn Amerikaanse ballingschap. Wroeging over de dood van de corpulente majoor bezocht me een paar keer per dag, volhardend als een incassobedrijf. Ook de weduwe van de majoor was altijd aanwezig in de mêlee van mijn gedachten, pontificaal vooraan in het katholieke koor van mijn schuldgevoel. Ik had haar op de begrafenis maar vijftig dollar gegeven, omdat ik echt niet meer kon missen. Ook al zou ik worden onderbetaald, ik zou geld opzij kunnen leggen, want kost en inwoning waren inbegrepen, en van het spaargeld zou ik de vrouw en de kinderen van de majoor wat ondersteuning kunnen bieden.
Zij waren de onschuldigen die groot onrecht aangedaan was, zoals mij als onschuldig kind ooit ook groot onrecht aangedaan was. En niet door vreemden, maar door mijn eigen familie, mijn tantes die me op familiefeestjes niet met mijn neefjes lieten spelen en die me wegjoegen uit de keuken als er lekkers werd uitgedeeld. Ik associeerde de bloedband die ik met mijn tantes had met de littekens die ze achtergelaten hadden tijdens Nieuwjaar, de tijd waaraan alle andere kinderen zulke warme herinneringen hebben. Wat was het eerste Nieuwjaar dat ik me kon herinneren? Misschien die keer toen ik vijf of zes was. Ik stond tussen de andere kinderen, plechtig en ernstig bij het vooruitzicht om op iedere volwassen toe te stappen en een klein toespraakje te houden waarin je hem of haar een goede gezondheid en veel geluk toewenste. Maar hoewel ik geen woord was vergeten, niet hakkelde zoals het merendeel van mijn neefjes en nichtjes, en ik het heel charmant en oprecht deed, vereerde tante twee me niet met een rode envelop. De gehele familiestamboom van mijn moeder keek naar me, op de knoestige takken zaten de ouders van mijn moeder, hun tien kinderen en mijn zesendertig neefjes en nichtjes. ‘Ik heb er niet genoeg’, zei de boze heks hoog boven mij uit torenend. ‘Ik kom er een tekort.’ Ik stond verlamd, mijn armen nog steeds beleefd over elkaar, afwachtend of er bij toverslag een envelop of een excuus zou verschijnen, maar er kwam niets tot, na wat vele minuten leek, mijn moeder een hand op mijn schouder legde en zei: ‘Bedank je tante omdat ze zo aardig is om jou een lesje te leren.’
Pas later, toen we weer thuis waren, begon mama te huilen op het houten bed dat we deelden. Het maakte niet uit dat mijn andere ooms en tantes me wel een rode envelop hadden gegeven, hoewel ik, als ik de mijne vergeleek met die van de anderen, zag dat mijn geluksgeld ongeveer de helft bedroeg van dat van hen. ‘Dat komt omdat je een halfbloed bent’, zei een neefje berekenend. ‘Je bent een bastaard.’ Toen ik mijn moeder vroeg wat een bastaard was, liep ze rood aan. ‘Het liefst’, zei ze, ‘zou ik hem met mijn blote handen wurgen.’ Daarna is er in mijn leven nooit meer een dag geweest waarop ik zo veel over mezelf heb geleerd, over de wereld en haar bewoners. Je moet dankbaar zijn voor wat je hebt geleerd, hoe dat ook is gegaan. Dus in een bepaald opzicht was ik mijn tante en mijn neefje dankbaar, want hun lessen herinner ik me veel beter dan veel indrukwekkendere dingen die op school aan mij voorbijkwamen. ‘Ze zullen nog eens wat zien!’ zei mijn moeder snikkend, en ze drukte me zo stevig tegen zich aan dat ik bijna geen adem kreeg, met mijn gezicht tegen een troostende borst terwijl mijn hand in de fluweelzachte andere kneep. Door de dunne katoenen stof drong de warme, volle muskusgeur van het lichaam van een jonge vrouw na een vochtige dag die vooral staand of gehurkt was doorgebracht met eten klaarmaken en opdienen. ‘Ze zullen nog eens wat zien! Jij zal harder werken dan alle anderen, harder studeren dan alle anderen, je zal meer weten dan alle anderen, je zal beter worden dan alle anderen. Beloof het me!’ Ik beloofde het.
Dit verhaal heb ik maar aan twee mensen verteld, Man en Bon, ik liet alleen wel het stukje over mijn moeders borsten weg. Dat was op de middelbare school, op zo’n intiem moment in je puberteit. Toen Bon het hoorde, waren we aan het vissen in de rivier, en gooide hij zijn hengel woedend in het water. ‘Als ik die neef ooit tegenkom,’ zei hij, ‘sla ik net zo lang door tot de helft van zijn bloed zijn hoofd uitdruipt.’ Man was wat gematigder. Ook op die leeftijd had hij al een kalme, analytische en een vroegwijze dialectisch-materialistische instelling. Hij had me na school getrakteerd op suikerrietsap, en we zaten ergens op een stoeprand met een plastic zakje in onze hand door een rietje te drinken. ‘De rode envelop is een symbool’, zei hij, ‘van alles wat fout is. Het is de kleur van bloed, en ze sloten je buiten vanwege de bloedband. Het is de kleur van voorspoed en geluk. Dat zijn primitieve geloven. We slagen of falen niet vanwege voorspoed of geluk. We slagen omdat we begrijpen hoe de wereld werkt en wat we moeten doen. We falen omdat anderen dat beter begrijpen dan wij. Zij plukken de voordelen van dingen, zoals je neefjes, en trekken die dingen niet in twijfel. Zolang dat in hun voordeel werkt, zullen ze die dingen onderschrijven. Maar jij ziet de leugen daarachter want jij hebt er nooit aan deelgenomen. Jij ziet een andere tint rood dan zij. Rood is niet geluk. Rood is niet voorspoed. Rood is revolutie.’ Plotseling zag ik ook rood en in dat opwindende beeld begon de wereld voor mij betekenis te krijgen: dat er zo’n schakering aan betekenissen in één enkele kleur bestond, dat die tint zo krachtig was dat hij zuinig moet worden aangebracht. Als je ooit iets in het rood geschreven ziet, weet je dat moeilijkheden en veranderingen in het verschiet liggen.

[...]

 

© 2015 Viet Thanh Nguyen
© 2017 Nederlandse vertaling Paul Bruijn, Jetty Huisman en Uitgeverij Marmer BV

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum