Bestel uw boeken online bij Athenaeum Boekhandel!

Leesfragment: De Gouden Eeuw van Rome

09 maart 2017 , door Anton van Hooff
| |

Vandaag verschijnt Anton van Hooffs De Gouden Eeuw van Rome. Van de volmaakte Trajanus tot Commodus de gladiator. Wij brengen een uitgebreid fragment!

Rasverteller Anton van Hooff neemt de lezer in De Gouden Eeuw van Rome mee naar de glorietijd van het Romeinse Rijk. Van Van Hooff verschenen eerder Klassiek, Athene en Sterven in stijl. 

De twee eeuwen rond het begin van de jaartelling worden doorgaans als glorietijd van het Romeinse Rijk beschouwd. In dit boek betoogt Anton Van Hooff dat juist de tweede eeuw n.C. meer aanspraak maakt op de betiteling Gouden Eeuw. Het Rijk bereikte zijn grootste omvang. Er waren geen burgeroorlogen. Overal heerste een enorme bouwactiviteit, waarvan de ruïnes nu nog getuigen. Zeker in kwantiteit was er een immense productie van beeldende kunst, literatuur en wetenschap. Nooit werden de oude goden met zoveel tempels en festivals geëerd. Vanaf Nerva (96 n.C.) stierven vijf keizers in hun bed – pas in 192 werd er weer een vorst vermoord: Commodus. Deze despoot brak de reeks van vijf goede keizers af. De beroemde geschiedschrijver Edward Gibbon beschouwde die tijd als de gelukkigste periode van de hele mensheid. In De Gouden Eeuw van Rome maakt Van Hooff duidelijk hoe goede keizers bijdroegen aan Romes Gouden Eeuw – en hoe Commodus, zoals een antieke historicus schrijft, het goud tot verroest ijzer maakte.  

 

N.B. Wij publiceerden eerder voor uit Sterven in stijl en Klassiek. Kleine geschiedenis van de Grieks-Romeinse wereld.

 

Een Gouden Eeuw met roestige rand

Van een gouden heerschappij vervallen de geschiedenis van de Romeinen en ons verslag tot een roestig ijzeren.

Deze verzuchting slaakt Dio Cassius als hij in zijn Romeinse geschiedenis van Marcus Aurelius moet overgaan op diens zoon Commodus (71,36,4). Het beeld van de korte tweede eeuw, van Nerva (96) tot Commodus (180) als een Gouden Tijd is dus al antiek. Het is een gevestigd idee geworden door de History of the Decline and Fall of the Roman Empire, het magistrale en nog steeds leesbare werk van Edward Gibbon (1737-1794). Het is praktisch onmogelijk om de cadans van zijn prachtige vloeiende proza in een vertaling te handhaven: 

Als aan iemand zou worden gevraagd om de periode in de wereldgeschiedenis te bepalen waarin de situatie van de mensheid het gelukkigst en voorspoedigst was, zou hij zonder aarzeling de tijd aanwijzen die verliep tussen de dood van Domitianus tot de troonsbestijging van Commodus.

Gibbon schrijft het geluk van die tijd toe aan de kwaliteit van de verlichte despoten die de keizers waren:

Het enorme Romeinse Rijk werd bestuurd door absolute macht, maar geleid door kwaliteit en wijsheid. De legers werden in toom gehouden door de krachtige, maar milde hand van vier opeenvolgende keizers wier persoonlijkheid en gezag een vanzelfsprekend respect afdwongen. De uiterlijke vormen van burgerlijk bestuur werden zorgvuldig in acht genomen door Nerva, Traianus, Hadrianus en de Antonijnen, die graag het beeld van vrijheid presenteerden en zich wensten te beschouwen als verantwoordelijke dienaren van de wetten

Met Commodus begon volgens Gibbon de Decline and Fall, een die nog steeds in allerlei verbanden wordt gebruikt, zoals bij de ‘neergang en val’ van bedrijven en politici.

Gibbon schrijft de gelukkige tijd dus toe aan die reeks verlichte vorsten die onder de titulatuur ‘Imperator Caesar Augustus’ een rijk van vijftig à zestig miljoen mensen bestuurden. Ze hadden het geluk dat in hun tijd grote crises uitbleven zodat een Engels schoolboek tot opluchting van de leerlingen vol stond met de mededeling: ‘In the Second Century ad nothing much happened.’ In elk geval is er een feitelijk bewijs van rust: het is de enige periode dat maar liefst zeven keizers achtereen een natuurlijke dood stierven.
Antieke schriftelijke bronnen bevestigen het beeld van een gelukkige tijd, al zijn Plinius’ lofrede, de Panegyricus (p. 84) en Aristeides’ eulogie eg (p. 145) naar hun aard natuurlijk tendentieus. De indrukwekkende archeologische resten uit deze tijd getuigen echter concreet van voorspoed. Van Britannia tot Syria en Africa voorzagen de steden zich van indrukwekkende gebouwen: theaters, zuilenstraten, triomfbogen, thermen, amfitheaters en tempels voor het Romeinse godentrio Iupiter, Iuno en Minerva. Het zijn de imposante ruïnes van die bouwwoede die toeristen tegenwoordig in de buitengebieden van het Romeinse Rijk zien. Voor zover de steden zich met muren omringden, hadden deze vooral de functie de stedelijke status uit te drukken. Echt nodig waren ze niet, want het hele Rijk was omringd door één grote militaire muur, zoals Aristeides verklaarde (p. 61).
Meer dan ooit functioneerde het Imperium Romanum als de militair- politieke huls van de oikoumenè, de Griekse term voor de bewoonde, beschaafde wereld. Ook de Grieken die in hun cultureel superioriteitsbesef lange tijd met misprijzen hadden gereageerd op het Romeinse imperialisme, begonnen de zegeningen van de Pax Romana te waarderen en zelfs te verheerlijken. ‘Als het ware feestvierend heeft de oikoumenè het oude gewaad afgelegd, het ijzeren,’ riep Aristeides uit (Op Rome 97). Het is ook een teken van voorspoed dat de Griekse letteren een ware renaissance meemaakten, aangeduid als de Tweede Sofistiek (p. 149).
De filosofenscholen van Athene trokken studenten uit heel de oude wereld; zelfs keizers bezochten de colleges. De diverse wijsgerige richtingen kregen er zelfs hun eigen leerstoelen, betaald door de keizerlijke overheid. In Alexandrië, de grote metropool van het hellenistische oosten, werden als vanouds wiskunde, natuurwetenschap, sterrenkunde en geografie bedreven.
Niet alleen literair en wetenschappelijk was de tweede eeuw de stralende nazomer van de klassieke Grieks-Romeinse cultuur. Ook het aloude veelgodendom was nog springlevend – het christendom was nog niet meer dan een randverschijnsel.
De kennis van eeuwen werd verzameld in omvangrijke compendia. Galenos, lijfarts van Marcus Aurelius en Commodus, legde in een enorm oeuvre de medische wetenschap vast. Tot echt baanbrekende nieuwe inzichten kwamen hij en anderen echter niet. In dit opzicht is hij een representant van zijn ‘antiquarische’ tijd: oud cultuurgoed werd gekoesterd en gesystematiseerd.
Niet alleen doordat er vergelijkenderwijs ‘niet erg veel gebeurde’ is de antieke geschiedschrijving over de periode beperkt in haar bereik. Wat ter beschikking is, richt zich sterk op de rol van de keizer. Voor de tweede eeuw is er geen Tacitus die militaire crises in buitengebieden zoals de Bataafse Opstand of de weerstand bij senatoren het volle pond geeft. Als lopend verhaal moeten we het doen met een uittreksel dat een Byzantijnse monnik in de elfde eeuw van Dio Cassius’ Romeinse geschiedenis maakte. De biografieën van de Keizergeschiedenis (Historia Augusta) blijven ver achter bij hun voorbeeld, Suetonius’ Levens van de twaalf Caesaren, die naast alle roddels rijke informatie bevat over de twaalf vorsten van Iulius Caesar tot en met Domitianus, dus tot 96, het jaar waarin dit boek de historische draad oppakt.
Nerva spreidde met zijn regering van slechts zestien maanden het bed voor de modelkeizer Traianus. Hij werd door Plinius gezien als de absolute tegenpool van Domitianus, die in 96 was vermoord: ‘Want wie slechte vorsten niet genoeg haat, kan goede niet genoeg liefhebben.’ Hiermee verontschuldigde Plinius zich voor de felheid waarmee hij Domitianus, verdorven keizer in verse herinnering, hekelde om zo des te meer de kwaliteit van de huidige heerser te laten uitkomen. Hij deed dat in de rede die hij in het jaar 100 voor Traianus hield. Deze was meer dan een goede keizer, hij was zonder meer de Volmaakte Vorst, Optimus Princeps (Panegyricus 53). In zijn toespraak gebruikte Plinius hier en elders de gewoonste Latijnse woorden voor ‘goed’ en ‘slecht’, malus en bonus, om keizers te (dis)kwalificeren. In het zwart-witschema dat hij hanteerde, was geen plaats voor nuances.
Princeps is een van de talrijke Latijnse staatkundige termen die in de moderne talen zijn overgenomen, in het Nederlands als ‘prins’. Omdat bij dat woord vooral aan ‘koningszoon’ wordt gedacht, is ‘vorst’ de beste weergave – die term wordt dan ook verderop vaak gebruikt als variatie op Imperator, Caesar en Augustus die ook geen van alle een wettelijk vastgelegd staatsambt aanduidden, zoals wel het geval is bij consul, praetor, aedilis en quaestor. In Princeps zitten de Latijnse woorden voor ‘eerst’ en ‘nemen’. Een Princeps is dus in het algemeen iemand die ergens een begin mee maakt. Zo was er een Princeps van de senaat, het lid dat boven aan de lijst stond en daarom het recht had het eerst zijn mening te geven over voorstellen die magistraten aan de hoge heren voorlegden. De man die wij als keizer Augustus kennen wees zijn opvolgers de weg door sinistere predicaten als dictator en rex (koning) te vermijden. In zijn politieke testament vermeldt hij dat hij steeds die eerste senator, Princeps senatus, was geweest. Voor Romeinse geschiedschrijvers is Princeps een handig vage term voor ‘leider’ zonder hatelijke associaties. Plinius besefte dat hij met Optimus Princeps de goede snaar raakte, zowel bij Traianus als het senatoriale gehoor.
De goede vorst komt, zo verklaart hij, niet door wapengeweld aan de macht, maar hij is de zorgvuldig overwogen keuze van zijn ook al nobele voorganger. De nieuwe keizer moet niet jong en dus onbesuisd zijn, maar in de kracht van zijn leven staan als een man van rijpe ervaring. Na het historische overzicht van het eerste hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 verteld dat de opeenvolgende keizers Nerva, Traianus, Hadrianus, Antoninus Pius, Marcus Aurelius, diens mederegent Lucius Verus en ten slotte Commodus allen soepel aan de macht kwamen, allemaal behalve de laatste door adoptie.
De goede vorst mag dan wel niet door militair geweld aan het bewind zijn gekomen, hij dient wel het vertrouwen van de troepen te genieten. Niet voor niets is zijn eerste titel Imperator (p. 42). We zullen in hoofdstuk 3 zien dat de keizers van dit boek doorgaans op de loyaliteit van de troepen konden rekenen, al liepen de methoden uiteen waarmee ze het vertrouwen van het leger wonnen en behielden.
De keizer moest ook de senaat in zijn waarde laten. Koeioneren van dit respectabele raadsorgaan was uit den boze. Het liquideren van senatoren had een Tiberius, Caligula, Nero en Domitianus tot ontaarde vorsten bestempeld. Tijdens het schrikbewind van zo’n tiran waren de vroede vaderen machteloos, maar na diens dood bepaalden zij voor altijd zijn reputatie. De gevoelige verhouding keizer- senaat wordt in hoofdstuk 4 uiteengezet.
‘Brood en spelen’, en niet te vergeten steen, in de vorm van publieke bouwwerken, hoorden door de keizer royaal aan het Romeinse volk te worden gegeven, maar hij moest zich onder geen beding als verheven koning gedragen. Hoe de keizers van Nerva tot en met Commodus met deze evenwichtskunst omgingen is het onderwerp van de hoofdstukken 5 en 6.
De keizer werd naast vader van het Romeinse volk ook meer en meer de hoeder van het wereldrijk. In zijn naam werd de Romeinse Orde, de Pax Romana, gehandhaafd, die niet alleen veiligheid behelsde, maar ook de rechtsorde. Het welzijn van de provincies moest hem tot zorg zijn. De ooit onderworpen volkeren en stammen waardeerden de zegeningen van de Romeinse heerschappij meer en meer. Uit regionale elites kwamen senatoren voort en na Nerva stamden de keizers uit de provinciale bovenlaag. Hoe de opeenvolgende vorsten met het imperium omgingen wordt in hoofdstuk 7 behandeld.
Keizers kwamen nog steeds uit de rijkselite. Ze waren dus doorgaans behoorlijk ontwikkeld – een eeuw later zou dat wel anders zijn. Ook als ze zelf geen intellectuele hoogvliegers waren, zoals Traianus, toonden ze wel respect voor literatoren en wijsgeren, zoals in hoofdstuk 8 over de geestelijke cultuur wordt geschetst.
Het aloude heidendom was niet op sterven na dood zoals vroeger wel gedacht werd. Niet alleen bewijzen uiterlijkheden in de vorm van tempelbouw en religieuze festivals dat, maar dat de goden springlevend waren blijkt ook uit het feit dat ze in dromen verschenen. In deze tijd is het christendom nog een marginaal verschijnsel, maar het gaat aan de weg timmeren en wordt ook door de heidense wereld opgemerkt (hoofdstuk 9).
Hoezeer de keizers een moreel voorbeeld waren, is het onderwerp van hoofdstuk 10. De Romeinse roddelcultuur had zich verlustigd in de uitspattingen van Caligula die het met zijn zussen deed of Domitianus die zijn nicht erbij nam. Ook het gedrag van de keizerin was cruciaal voor het aanzien van de vorst. In het verleden was de reputatie van Claudius ernstig aangetast door de escapades van zijn derde vrouw Messalina, die met een notoire prostituee een wedstrijd was aangegaan in het aantal mannen dat ze achterelkaar kon hebben. Ook de keizerin bepaalde dus sterk het imago van het keizershuis, onderwerp van hoofdstuk 10.
Ten slotte – hoofdstuk 11 – hoorde de dood in overeenstemming te zijn met het leven: goede keizers kregen volgens de geschiedschrijvers een mooie dood, de slechte een smartelijk en smadelijk levenseinde. Na hun dood besliste de senaat of ze als goddelijk, divus, moesten worden beschouwd of worden verdoemd.
Van zeven keizers van Nerva tot Commodus golden er twee naast de eerste keizer Augustus later als modelheersers. Zo werd van Claudius ii Gothicus (keizer 268-270) gezegd dat hij ‘de krijgshaftigheid van Traianus, de rechtschapenheid van Marcus Aurelius en de zelfbeheersing van Augustus in zijn persoon verenigde’ (Keizergeschiedenis, Claudius 4,3). Nog twee eeuwen later riep de senaat iedere nieuwe keizer als wens toe: ‘Gelukkiger dan Augustus, beter dan Traianus’ (Felicior Augusto, melior Traiano; Eutropius 8,5).
Naast de ‘goede keizers’ Nerva, Traianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius bracht de periode ook de tegenpolen voort in de personen van Commodus en Marcus’ medekeizer Lucius Verus. Hadrianus zit tussen het wit en zwart van de sjabloon in. Benadrukt moet worden dat het niet meer dan een model is. Bij het leven van vorsten is het al moeilijk uit te maken wat werkelijkheid en beeldvorming is, want ze spelen voortdurend een rol en de beoordelaars zijn zelden objectief in hun bewondering of verguizing. Bij de Romeinse keizers is het beeld dat biografen en geschiedschrijvers later presenteren hoogst eenzijdig: bijzonder gunstig of uiterst negatief. Natuurlijk proberen moderne historici tussen de regels door te lezen en op grond van het feitelijke gedrag een oordeel te vellen. Hun pogingen leiden tot een voorspelbaar resultaat: een goede keizer blijkt bij nader inzien ook zijn fouten te hebben, een ontaarde heerser heeft op de keper beschouwd ook heel wat positieve kanten. Zo werden Nero, Domitianus en Commodus min of meer gerehabiliteerd. Hier wil ik, net als in mijn boeken over Nero en Marcus Aurelius, volstaan met verklaren hoe ze aan hun reputatie kwamen.
Dit boek is dan ook niet opgezet als een reeks biografieën van de wieg tot het graf, maar het geeft in de hoofdstukken 2-10 vergelijkende typologieën van (toegeschreven) keizersgedrag. Daarbinnen wordt wel de chronologische orde aangehouden. Dit is niet alleen om het betoog overzichtelijk te houden, maar zo wordt ook recht gedaan aan de ontwikkeling: achtereenvolgende keizers leerden van elkaar de code van gewenst optreden, zoals Europese koningshuizen dat hebben gedaan en nog steeds doen. Doorgaans stelden vorsten bij hun aantreden de goegemeente gerust door voortzetting van beleid te beloven, maar vanzelfsprekend plaatsten ze zowel bewust als onopzettelijk andere accenten. Ook werden ze natuurlijk geconfronteerd met andere omstandigheden, zoals invallen, rebellieën en epidemieën, die om eigen reacties vroegen.
Het volgen van de reeks keizers van Nerva tot en met Commodus biedt de gelegenheid om recht te doen aan Traianus, Antoninus Pius en Commodus, heersers die in Nederlandse boeken weinig aandacht hebben gekregen, terwijl de ongedurige Hadrianus en de keizer-filosoof Marcus Aurelius door recente monografieën goed vertegenwoordigd zijn. Omdat Traianus na het korte intermezzo van Nerva’s keizerschap in feite de nieuwe dynastie vestigt en het type van de ideale vorst is, wordt hij in de ondertitel genoemd als tegenpool van Commodus die de laatste van een vorstenhuis was en dus wel een ontaarde keizer moest zijn, want zijn opvolgers legitimeerden de machtswisseling door hem zo zwart mogelijk af te schilderen.
Heel bewust wordt in dit boek spaarzaam omgegaan met het geven van namen, om te vermijden dat het relaas een Russische roman wordt. Figuren van het tweede plan worden liefst aangeduid met hun functie, zoals gardeprefect of kamerheer.
Het is al voor de zevende keer dat ik gretig mijn dank betuig aan Sjors van Hoof, geen familie dus. Deze oud-student en door mijn leraarschap aan het Stedelijk Gymnasium Nijmegen 2006-2012 zelfs oud-collega heeft mij opnieuw behoed voor uitglijders op het gebied van de antieke kunstgeschiedenis en archeologie.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum